donderdag, september 09, 2010
 
Andere bronnen

Beïnvloeden reeën

Naar mate wij mensen het ree meer gingen waarderen en het gericht zijn gaan beheren en wij bovendien de omgeving op een meer natuurlijke wijze gingen onderhouden namen de aantallen reeën in Nederland in aantal spectaculair toe.

Afhankelijk van de doelstelling van een terreinbeheerder kunnen beheermaatregelen nodig zijn om die reeën te weren, te houden of te krijgen. Dat kan met name door de inrichting van hun leefgebied maar ook door beheer van de populatie reeën. De huidige wetgeving biedt daarvoor de nodige hulpmiddelen.


Wettelijke hulpmiddelen Minimaliseren

Met de inwerkingtreding van de Flora- en faunawet zijn reeën niet meer aangemerkt als grofwild. Daarmee is de, formele verantwoordelijkheid van de jachthouder voor de instandhouding van deze diersoort vervallen. Het actief beheren van de populatie reeën door ze te doden is nu alleen nog mogelijk op basis van een provinciale ontheffing of aanwijzing. Zij zijn darrdoor nog meer als voorheen beschermd. De wettelijk verantwoordelijkheid voor het beheer en de schade ten gevolge van reeën ligt daardoor bij de overheid.

Voor het beheer van soorten en de bestrijding van schade stellen provincies faunabeleid vast. De uitvoering van dat beleid gaat op basis van faunabeheerplannen. 

Op basis van  bijzondere vrijstellingen, ontheffingen en vergunningen, artikelen 67 en 68 van de Flora- en faunawet kan Gedeputeerde Staten (GS) het beheren van de populatie reeën toestaan. Dat mag alleen op gronden van ten minste 5 000 hectare op basis van een voor die gronden geldig faunabeheerplan. Met name de eisen aan het faunabeheerplan vragen aan uitvoerders van dat plan een gedegen onderbouwing van de maatregelen.

De basis voor de faunabeheerplannen komt o.a. uit de bijdragen van grondeigenaren en jagers.

De belangen van het ree worden o.a. behartigd door de Vereniging het Reewild en de bij reeënbeheer betrokken jagers, verenigd in de Nederlandse Jagersvereniging (KNJV). Zij hebben zichzelf de vraag gesteld of het mogelijk is om met één uniforme beheermethode voor reeën te werken. En hebben daarvoor een aantal deskundigen opdracht gegeven de bestaande methoden te onderzoeken en eventueel nader uit te werken.

Van de gevonden methoden worden met name de methoden die gebaseerd zijn op het wegen en meten van de gezondheid/conditie van het ree (Smith en Poutsma) en het bepalen van de draagkracht van de leefomgeving (de Achterhoek, van Haaften) veel toegepast.

De Vereniging Het Reewild en de K.N.J.V. hebben samen het besluit genomen om een leidraad op te stellen die voorziet in een terugkerende cyclus van inventarisatie, planvorming, uitvoering en controle door middel van registratie en monitoring. Die cyclus wordt afgesloten met een periodieke evaluatie die gelijk loopt met de geldigheid van het Faunabeheerplan. Op basis van die informatie is in de zomer van 2007 de "Leidraad voor het beheer van reeën" opgesteld.

Voor meer informatie over dit onderwerp;
http://wetten.overheid.nl zoeken op:
Flora- en Faunawet; Faunabeheerplan


Samenwerken bij beheer van de reeën populatie Minimaliseren

In de periode rond 1965 werd begonnen met het binnen een bepaald gebied gezamenlijk inventariseren/tellen van reeën. Begonnen werd met samenwerkingsverbanden van jachthouders met aaneengesloten jachtvelden. Het uiteindelijke doel was om zogenaamde reewildringen te vormen. Die veel later, rond 1990 door de vorming van wildbeheereenheden werden bekrachtigd, er in werden opgenomen of werden uitgebreid met het beheer van andere wildsoorten.

Van de jachthouders in de betreffende gebieden werd veel medewerking verkregen. In Noord-Limburg kwam er samenwerking met de Duitse buurjagers tot stand. Er ontstond een gezamenlijk gebied van circa 15.000 hectare aan weerszijden van de Nederlands-Duitse grens.

Gezien de levenswijze van reeën was, van tevoren, bekend dat het niet mogelijk was om het juiste aantal stuks reeën te inventariseren. Maar wel dat men, door consequent jaar in jaar uit op dezelfde wijze te tellen, een indruk kon krijgen van de totale stand. Een bijkomend voordeel van de samenwerking was dat de jagers en natuurbeheerders elkaar niet meer als concurrent zagen en dat er, door de samenwerking, een bijdrage werd geleverd tegen de stroperij.

Inmiddels is met de komst van de nieuwe Flora- en Faunawet nog meer nadruk gelegd op lokale samenwerkingsverbanden. Herkend is dat faunabeheer op landelijkniveau niet past bij lokale problematiek daarom vind de uitvoering van de Flora- en faunawet zoveel mogelijk op provinciaal niveau plaats. Bovendien zijn de samenwerkingsverbanden gedefinieerd als zijnde belangrijke partners bij de voorbereiding en uitvoering van flora- en faunabeheer. Overal in het land zijn nu wildbeheereenheden (WBE's) opgericht die hun kennis en ervaring bundelen in beheerplannen. De beheerplannen worden op provinciaal niveau samen met andere belangen vertegenwoordigers verwerkt tot faunabeheerplannen. Die faunabeheerplannen zijn gedurende enkele jaren de basis voor het faunabeheer in de betreffende regio. Onderdeel van dat faunabeheerplan is het Reeënbeheerplan. Daarin staat hoe de komende periode met de reeënpopulatie in het gebied wordt omgegaan. De overheid ziet dus de individuele beheerder, maar de WBE als volwaardige gesprekspartner. Zo worden vergunningen, nodig bij de bestrijding van schade, niet meer aan individuele beheerders gegeven, maar aan de WBE. Zo ook de afschotvergunningen voor reeën. De WBE draagt dus een grote verantwoordelijkheid voor de in haar gebied levende reeën.

Het werkgebied van een WBE dient bij voorkeur een aaneengesloten gebied te zijn met een oppervlakte van tenminste 5.000 ha. Binnen de WBE heeft iedere jachthouder zijn eigen verantwoordelijkheid, maar samen voeren zij planmatig reeënbeheer op basis van een gezamenlijk opgesteld wildbeheerplan. Het reeënbeheer is gericht op het handhaven van een acceptabele reeénstand, waarbij gelet moet worden op de belangen van de landbouw en de natuurbescherming.

De uitvoering van het beheer van de populatie reeën ligt traditioneel bij jachthouders. Logisch, zij zijn vanuit hun positie als eigenaar en/of jager gedurende vele decennia verantwoordelijk geweest voor een gezonde reeënpopulatie en de daaruit vloeiende gevolgen. Jagers zijn opgeleid en uitgerust om de uitvoering van het beheer uit te voeren.  Een en ander is uitdrukkelijk in de Flora- en faunawet gewaarborgd.

De wijze waarop aspirant jagers betrokken raken is dat zij, in het algemeen, geleidelijk ervaring opbouwen in de nabijheid van ervaren jachthouders. Zo leren zij het beheer deskundig ter hand te nemen. Zij bouwen zodoende de noodzakelijke meer inhoudelijk kennis, vaardigheden en ervaring op.en al gezien dat reeën in een familieverband maar zeker als populatie een oppervlakte bestrijken die door diverse eigenaren en beheerders beheerd worden. Dat betekent dat er overleg en samenwerking tussen die eigenaren en beheerders nodig is. Eén groep van deze beheerders, de jagers, zijn hiervoor samenwerkingsverbanden aangegaan. 


Leefomgeving reeën beheren Minimaliseren

We hebben al gezien dat Reeën in een familieverband in een gebied dat meerdere terreinbeheerders bestrijkt. Dat betekent dat er overleg en samenwerking tussen individuele jagers nodig is. Overal in het land zijn nu wildbeheereenheden (WBE's) opgericht. Dit zijn samenwerkingsverbanden van jagers, meestal in verenigingsvorm. De overheid en de K.N.J.V. hebben dit sterk gestimuleerd. Het werkgebied van een WBE dient bij voorkeur een aaneengesloten gebied te zijn met een oppervlakte van tenminste 5.000 ha. Binnen de WBE heeft iedere jachthouder zijn eigen verantwoordelijkheid, maar samen kunnen ze een planmatig wildbeheer voeren, aan de hand van een gezamenlijk opgesteld wildbeheerplan. Het wildbeheer is gericht op het handhaven of het tot stand brengen van een goede wildstand, waarbij gelet moet worden op de belangen van de jacht, de landbouw en de natuurbescherming.De overheid, als wetgever en uitvoerder van de wet, streeft naar een steeds verder gaande deregulering van overheidstaken. De uitvoering van de Flora- en faunawet is nu al decentraal een taak van de provincies. Een aantal belangrijke taken zullen moeten worden uitgevoerd door de FBE's en WBE's. De overheid ziet niet meer de individuele jager, maar de WBE als volwaardige gesprekspartner. Zo worden vergunningen, nodig bij de bestrijding van schade, niet meer aan individuele jagers gegeven, maar aan de WBE. Zo ook de afschotvergunningen voor Reeën. De WBE draagt hierin dus een grote verantwoordelijkheid.

Er bestaat een zeer nauwe relatie tussen de draagkracht van de leefomgeving van reeën en de reeëndichtheid. Als liefhebbers en beheerders van reeën hopen we dat er een optimaal evenwicht is tussen de reeën en de leefomgeving waar ze in wonen. Om dit evenwicht te krijgen of te herstellen kunnen maatregelen nodig zijn zoals bijvoorbeeld het verlagen van de wildstand als de reeëndichtheid te hoog is. Maar we kunnen ook genoodzaakt zijn de draagkracht te verhogen om bij een gelijk blijvende reeëendichtheid faunaschade te voorkomen. We moeten daarbij rekening houden met de belangen van natuurbescherming, bosbouw en landbouw.

De maatregelen die we nemen met het doel de draagkracht van het veld te behouden of te vergroten noemen we biotoopverbetering. Een biotoop wordt bepaald door de milieufactoren in een bepaald gebied. Ze worden gevormd door de interactie van de bodem met grondwater en klimaat. Dat vormen gebeurt onder andere door het gebruik van het gebied door ons, de mens. Je kunt bij gebruik denken aan land- bos- en tuinbouw, maar ook aan recreatie zoals wandelen, fietscrossen, survivalen, speurtocht.

Je ziet dat de milieufactoren erg verschillend kunnen zijn. Voor reeën geldt dat hoe ééntoniger wij het biotoop ervaren des te minder waardevol is het voor het reeën. Reeën houden van veel afwisseling tusssen dekking en opengebied. Een groot ééntonig aaneengesloten bos van hoge naaldboomsoorten zonder ondergroei heeft voor reeën geen enkele waarde. Dat geldt ook voor eindeloze maïsakkers in de zomer of kale akkers in de winter. 

Een gevarieerde leefomgeving voor reeën biedt de gehele flora en fauna mogelijkheden om zich te handhaven of te vestigen. Het is het meest ecomisch en duurzaam om biotoopverbeterende maatregelen te nemen die in een bepaald gebied van nature zouden kunnen voorkomen. Als dit gebeurt met inzicht en gezond verstand dan kan dit leiden tot betere bestaansmogelijkheden voor veel vogels, planten en dieren.

De kwaliteit van de leefomgeving staat of valt met de botanische samenstelling. Dat in combinatie met voldoende plaatsen met rust en dekking zowel gedurende de drukke recreatie seizoenen als de kale winters is voor reeën essentieel. De meeste mogelijkheden voor biotoopverbetering liggen in het evenwichtige beheer van ruigtes, boskages en houtopstanden. In veel bossen en bosjes is een eentonige beplanting ontstaan en is de ondergroei  teruggedrongen.  De ondergroei in het centrum van de boskages is vaak afgestorven door gebrek aan licht en door de voortdurende lek van het gesloten kronendak van de bomen. 

De beplanting is zo 'hol' dat je er heel ver in kan kijken en in ons vlakke land is er geen heuvel of vallei die dekking biedt tegen de boze buiten wereld. Daarnaast bevat een dergelijke dekking vaak geen voedsel. In de zomer is dat geen probleem maar in de herfst en winter biedt het zelfs geen smakelijk houtje om op te bijten.

Het onderhoud van kleine landschappelijke elementen zoals bosranden, houtsingels en -wallen en hakhoutbosjes is voor velen een prettig tijd verdrijf dat voor de eigenaren vaak een last is. Samen kunnen ze zorgen dat deze rijker worden aan flora en fauna. het is alleen jammer dat dit vaak plaatsvind in de periode dat wilde dieren het slechts tegen verstoring van de natuur kunnen namelijk van januari tot maart. Beter was het dit werk te doen net na de periode dat de dieren hun jongen hebben gekregen. Er is dan voldoende dekking, de planten lopen veel beter weer uit en de rust is in de midwinter periode beter gewaarborgd.  Desondanks is het altijd goed om in ieder geval het onderhoud uit te voeren. 

Schroom niet en sluit je aan bij de diverse landschapsonderhoud initiatieven die er zijn. Zowel de natuurbeschermingsorganisaties, de landbouwers en de wildbeeereenheden organiseren dagen waarin ze landschapsonderhoud plegen.

Om te zorgen dat er geen holle beplanting ontstaat zullen je regelmatig houtige ondergroei, hakhoutbosjes en -wallen moeten afzetten. Als het kan niet alles tegelijk. Bestudeer de grond, de struiken en planten kijk welke soorten kwetsbaar en waardevol zijn voor dekking en voedsel en wees daar zuinig op. Wel zo dat het bereikbaar blijft voor de fauna. Bomen die niet dikker zijn dan 20 cm kunnen we 20 cm boven de grond afzagen, waarna de stobben in het algemeen weer uit zullen lopen. Zeker als u dit gedurende de zomer doet. De niet te zware takken laten we op hopen en rillen liggen waardoor zowel dekking ontstaat voor kleinwild en zangvogels als open ruimtes waar reeën graag beschut liggen.

Ontstaan er grote open plekken dan kan er worden bij geplant met struiken en struweelvormers. Bijvoorkeur soorten die in de omgeving al voorkomen. Bij houtwallen met grote overblijvende bomen moeten we rekening houden met de schaduw en de drup van deze bomen. Afhankelijk van de grondsoort  kunnen we soorten planten zoals bijvoorbeeld Meidoorn, Sleedoorn, Hondsroos op de meer kleiige gronden en brem, krent, hazelaar en vlier  op de zandgronden. Hier en daar kunnen we fruit en kleinfruit planten mits we dit de eerste tijd goed verzorgen en beschermen. We kunnen ook relatief veel snelle groeiers planten om snel dekking te krijgen. Die moeten dan wel na circa drie jaar teruggezet worden om de waardevolle soorten de ruimte te geven.

Het belangrijkste is dat de opstanden zodanig worden onderhouden dat er een afwisselende ondergroei ontstaat die voor reeén niet hoger hoeft te zijn dan circa twee meter.

De in de bosbouw toegepaste vorm van biotoop verbetering zijn bladakkers. Het principe van de bladakker is dat door periodiek afzetten van een perceel(tje) loofhout men een groot aanbod  van voor wilde dieren bereikbare knoppen, bast, twijgen en bladeren krijgt.  De schadeveroorzakende fauna wordt daardoor afgeleid naar plaatsen waar de vraat en andere schade minder groot is. Het principe is ook goed toe te passen als biotoop verbetering. Door pleksgewijs regelmatig loofhout af te zetten ontstaat pleksgewijs dekking en voedsel zoals reeën dat van nature graag hebben. Het resultaat van deze vorm van biotoopbeheer lijkt veel op het effect dat grote grazers hebben op natuur,  namelijk open plekken met daarin dichte boskages.

De aanleg van bladakkers was vooral van belang in bossen en landgoederen op zandgronden, waar door eenzijdige naaldhoutbeplanting weinig of geen zonlicht op de grond kon komen en er dus nauwelijks grassen en kruiden kunnen groeien.

Een andere manier van de draagkracht van een gebied behouden of verhogen is het beheren van onrendabele akkers en weiden. Vaak zijn deze in bosgebieden namelijk niet interessant voor economische land- en tuinbouw. Toch zijn ze jarenlang direct en indirect een bron van voedsel geweest voor het omliggende gebied. Het is leuk en nuttig om kleinschalige land- en tuinbouwte bedrijven met het oog op wilde flora en fauna. Met een vaak kleine inspanning kan een oase van bloemen, insecten, voedsel geschapen worden. In gebieden met (te verwachten) wildschade kunnen deze bovendien een bijdrage leveren aan het voorkomen van wildschade aan de economisch gevoelige teelten. Hierbij moeten we dus niet denken aan grote aaneengesloten oppervlaktes, maar aan meerdere kleine stukjes van 10 - 20 are.

Het is onverstandig om geen bodemmonster te laten onderzoeken. Het is namelijk enorm belangrijk om te weten voor welke planten de grondgeschikt is. Zodat de juiste samenstelling van planten gekozen kan worden of de grond aangepast kan worden naar de gewenste samenstelling. Bij de samenstelling zijn met name de zuurgraad en de basis elementen stikstof, kali en fosfaat van belang. Bedenk wel dat landbouw aan strenge regels gebonden is. Bijvoorbeeld is het gebruik van dierlijke mest in natuurgebieden niet toegestaan.

U kunt op de akkertjes kant en klare wildmengsels zaaien. Dit zijn mengsels van soms wel 20 verschillende soorten zaaizaden. het is echeter ook wel aardig om ouderwetse landbouwgewassen te verbouwen zoals Rogge, Stoppelknollen, Bladkool, Lupinen, Boekweit enz.. Een soort die vroeger wel gebruikt werd op de armere gronden was Spurrie. Spurrie werd zelfs gezaaid langs bospaden en in bermen langs boswegen. Spurrie wordt graag door reeën gegeten.

Bij de aanleg van wildweiden is een goede grondbewerking inclusief een juiste bemesting en een aantal jaren  voldoende zonlicht nodig. De weide zal geruime tijd zonder grondbewerking dienst doen. Als grondbewerking is ploegen het best. daarna kan gezaaid worden. Ook hiervoor zijn kant en klare mengsels in de handel, samengesteld na uitvoerige praktijkproeven. Het kan echter ook een mengsel van voor grond en licht geschikte grassen en klavers zijn. De wildweiden moeten wel onderhouden worden zoals het jaarlijks maaien en verwijderen van de oude vegetatie om de weide sappig en groen te houden. Daardoor houdt het de voedingswaarde waarvoor de weide is aangelegd. Een combinatie van weide en akker is vaak een eldorado voor wilde dieren.

Mocht u overwegen om maatregelen in uw natuur te nemen overleg dan vooraf met deskundigen. Zij kunnen u wijzen op kansen en teleurstellingen die in uw situatie kunnen optreden.

Naast de biotoopverbeteringen zijn er in uw omgeving maatregelen mogelijk op het gebied van:

 


Snel verder

Kenniscentrum Reeën Gebruiksovereenkomst Privacybeleid