zaterdag, februari 04, 2012
 
Beïnvloeden reeën

Naar mate wij mensen het ree meer zijn gaan beheren en wij bovendien de omgeving op een meer natuurlijke wijze gingen onderhouden namen de aantallen reeën in Nederland in aantal spectaculair toe.

Afhankelijk van de doelstelling van een terreinbeheerder kunnen beheermaatregelen nodig zijn om die reeën te weren, te houden of te krijgen. Dat kan met name door de inrichting van hun leefgebied maar ook door beheer van de populatie reeën. De huidige wetgeving biedt daarvoor de hulpmiddelen.


Wettelijke hulpmiddelen

Met de inwerkingtreding van de Flora- en faunawet zijn reeën niet meer aangemerkt als grofwild. Daarmee is de, formele verantwoordelijkheid van de jachthouder voor de instandhouding van deze diersoort vervallen. Het actief beheren van de populatie reeën door ze te doden is nu alleen nog mogelijk op basis van een provinciale ontheffing of aanwijzing. Zij zijn daardoor nog meer als voorheen beschermd. De wettelijk verantwoordelijkheid voor het beheer en de schade ten gevolge van reeën ligt daardoor bij de overheid.

Voor het beheer van soorten en de bestrijding van schade stellen provincies faunabeleid vast. De uitvoering van dat beleid gaat op basis van faunabeheerplannen. 

Gedeputeerde Staten (GS) kunnen het beheren van de populatie reeën toestaan. Dat doen zij op basis van  bijzondere vrijstellingen, ontheffingen en vergunningen, artikelen 67 en 68 van de Flora- en faunawet kan. Dat mag alleen op gronden van ten minste 5 000 hectare op basis van een voor die gronden geldig faunabeheerplan. Met name de eisen aan het faunabeheerplan vragen aan uitvoerders van dat plan een gedegen onderbouwing van de maatregelen.

De basis voor de faunabeheerplannen komt o.a. uit gegevens verzameld door grondeigenaren en jagers.

Voor meer informatie over dit onderwerp;
http://wetten.overheid.nl zoeken op:
Flora- en Faunawet; Faunabeheerplan


Samenwerken bij beheer van de reeën populatie

In de periode rond 1965 werd begonnen met het binnen een bepaald gebied gezamenlijk inventariseren/tellen van reeën. Eerst waren het samenwerkingsverbanden van jachthouders met aaneengesloten jachtvelden. Het uiteindelijke doel was om zogenaamde reewildringen te vormen. Die veel later, rond 1990, werden opgenomen in wildbeheereenheden die zich ook bezig houden met het beheer van andere wilde diersoorten.

Van de jachthouders in de betreffende gebieden werd veel medewerking verkregen. In Noord-Limburg kwam er samenwerking met de Duitse buurjagers tot stand. Er ontstond daar zelfs een gezamenlijk gebied van circa 15.000 hectare aan weerszijden van de Nederlands-Duitse grens.

Gezien de levenswijze van reeën was, van tevoren, bekend dat het niet mogelijk was om het juiste aantal stuks reeën te inventariseren. Maar wel dat men, door consequent jaar in jaar uit op dezelfde wijze te tellen, een indruk kon krijgen van de totale stand. Een bijkomend voordeel van de samenwerking was dat de jagers en natuurbeheerders elkaar niet meer als concurrent zagen en dat er, door de samenwerking, een bijdrage werd geleverd tegen de stroperij.

Inmiddels is met de komst van de nieuwe Flora- en Faunawet nog meer nadruk gelegd op lokale samenwerkingsverbanden. Herkend is dat faunabeheer op landelijkniveau niet past bij lokale problematiek daarom vind de uitvoering van de Flora- en faunawet zoveel mogelijk op provinciaal niveau plaats. Bovendien zijn de samenwerkingsverbanden gedefinieerd als zijnde belangrijke partners bij de voorbereiding en uitvoering van flora- en faunabeheer. Overal in het land zijn nu wildbeheereenheden (WBE's) opgericht die hun kennis en ervaring bundelen in beheerplannen. De beheerplannen worden op provinciaal niveau samen met andere belangen vertegenwoordigers verwerkt tot faunabeheerplannen. Die faunabeheerplannen zijn gedurende enkele jaren de basis voor het faunabeheer in de betreffende regio. Onderdeel van dat faunabeheerplan is het Reeënbeheerplan. Daarin staat hoe de komende periode met de reeënpopulatie in het gebied wordt omgegaan. De overheid ziet dus de niet de individuele beheerder, maar de verenigde beheerders (WBE) als volwaardige partner. Zo worden vergunningen, nodig bij de bestrijding van schade, niet meer aan individuele beheerders verleend, maar aan de WBE die deze weer doorgeeft aan de lokale beheerder. Zo ook de afschotvergunningen voor reeën. De WBE draagt dus een grote verantwoordelijkheid voor de in haar gebied levende reeën.

Het werkgebied van een WBE dient bij voorkeur een aaneengesloten gebied te zijn met een oppervlakte van tenminste 5.000 ha. Binnen de WBE heeft iedere jachthouder zijn eigen verantwoordelijkheid, maar samen voeren zij planmatig reeënbeheer op basis van een gezamenlijk opgesteld wildbeheerplan. Het reeënbeheer is gericht op het handhaven van een acceptabele reeénstand, waarbij gelet moet worden op de belangen van de landbouw en de natuurbescherming.

De uitvoering van het beheer van de populatie reeën ligt traditioneel bij jachthouders. Logisch, zij zijn vanuit hun positie als eigenaar en/of jager gedurende vele decennia verantwoordelijk geweest voor een gezonde reeënpopulatie en de daaruit vloeiende gevolgen. Jagers zijn opgeleid en uitgerust om de uitvoering van het beheer uit te voeren.  Een en ander is uitdrukkelijk in de Flora- en faunawet gewaarborgd.

De wijze waarop aspirant jagers betrokken raken is dat zij, in het algemeen, geleidelijk ervaring opbouwen in de nabijheid van ervaren jachthouders. Zo leren zij het beheer deskundig ter hand te nemen. Zij bouwen zodoende de noodzakelijke meer inhoudelijk kennis, vaardigheden en ervaring op.en al gezien dat reeën in een familieverband maar zeker als populatie een oppervlakte bestrijken die door diverse eigenaren en beheerders beheerd worden. Dat betekent dat er overleg en samenwerking tussen die eigenaren en beheerders nodig is. Eén groep van deze beheerders, de jagers, zijn hiervoor samenwerkingsverbanden aangegaan. 


Het belang van het ree

De belangen van het ree worden o.a. behartigd door de Vereniging het Reewild en de Nederlandse Jagersvereniging (KNJV). Zij hebben zichzelf de vraag gesteld of het mogelijk is om met één uniforme beheermethode voor reeën te werken. En hebben daarvoor een aantal deskundigen opdracht gegeven de bestaande methoden te onderzoeken en eventueel nader uit te werken.

Van de gevonden methoden worden met name de methoden die gebaseerd zijn op het wegen en meten van de gezondheid/conditie van het ree (Smith en Poutsma) en het bepalen van de draagkracht van de leefomgeving (de Achterhoek, van Haaften) veel toegepast.

De Vereniging Het Reewild en de K.N.J.V. hebben samen het besluit genomen om een leidraad op te stellen die voorziet in een terugkerende cyclus van inventarisatie, planvorming, uitvoering en controle door middel van registratie en monitoring. Die cyclus wordt afgesloten met een periodieke evaluatie die gelijk loopt met de geldigheid van het Faunabeheerplan. Op basis van die informatie is in de zomer van 2007 de "Leidraad voor het beheer van reeën" opgesteld.


Vereniging Het Reewild Gebruiksovereenkomst Privacybeleid