Het is van belang om aan te kunnen geven hoeveel reeën in een bepaald gebied (minstens 5000 ha) kunnen leven zonder dat er dierenwelzijnsproblemen optreden. De kwaliteit en kwantiteit van de biotoop (leefomgeving) is bepalend voor die hoeveelheid. We noemen die maximale hoeveelheid reeën de draagkracht van dat gebied.
Als de omstandigheden optimaal zijn is er een dynamische evenwichtssituatie tussen draagkracht en reeëndichtheid. In de praktijk wordt dat evenwicht voortdurend uit evenwicht gebracht door omstandigheden van buitenaf. Zoals bijvoorbeeld verstoring, verkeer, verdrinking, verstoring, meer aanwas dan sterfte, meer immigratie dan migratie.
Voor het bepalen van de draagkracht van leefgebieden van Reeën worden de volgende methoden gebruikt;
- methode Van Haaften (Jan L. van Haaften)
- methode Gelderse Achterhoek (Theo Berentsen)
- methode Poutsma (Joop Poutsma )
- CP methode (Jan M. Smit)
- logistisch groeimodel(Rik Schoon)
- methode Alterra
Veel terrein- en reeënbeheerders willen negatieve invloeden van en voor reeën voorkomen. Daarvoor wordt naast de reeëndichtheid de draagkracht van een gebied bepaald. De ecologische draagkracht bepaling volgens methode Van Haaften wordt als meest verantwoord uitgangspunt gebruikt. Het bepaalt de draagkracht op basis van omgevingsvariabelen als voedsel en dekking. De methode Geldersche Achterhoek is daar een praktische afgeleide van. Zowel aan de conditie van de reeën als de reeëndichtheid kan gezien worden of de draagkracht bereikt is. Als methode voor de reeënconditie wordt de CP-methode gehanteerd. Daarmee wordt gekeken of de conditie van de populatie reeën toeneemt, stabiliseert of afneemt. Voor het beoordelen van de reeëndichtheid wordt het logistisch groeimodel gebruikt. Dat model bepaalt of er groei, stabiliteit of afname is in de aantallen reeën.
In bovenstaande wordt gewerkt met het verschijnsel dat de omgeving bepaalt hoe een ree zich kan ontwikkelen. Het ree is daardoor het bewijs van een al dan niet goede reeëndichtheid tot dat moment. Je kijkt als het ware terug in de tijd. Deze methode wordt in natuurgebieden zoals de Oostvaardersplassen toegepast. De methode Poutsma en de CP-methode zijn voorbeelden van deze benadering. De methode Poutsma is daarvan het meest uitgewerkt. Deze beoordeelt de reeën in een populatie en stelt op basis daarvan vast of deze het ecologisch maximum bereikt.
Naast de waardering van leefomgeving of ree kunnen ook de aantallen reeën gebruikt worden om groei en evenwicht in de populatie grootte te bepalen. Wanneer een populatie groeit, zullen er ook meer dieren tijdens een telling worden waargenomen. Door tellingen ieder jaar op dezelfde wijze en op hetzelfde tijdstip uit te voeren, geven de telresultaten gedurende een reeks van jaren een trend in de aantalsontwikkeling. Deze trend biedt houvast. Immers, wanneer het doel is de populatie niet verder in aantal te laten toenemen en uit de tellingen blijkt dat dit toch het geval is, kan het beheer worden bijgesteld. Het is in de wetenschap gebruikelijk om daar logistische modellen voor te gebruiken. Voor aantallen reeën heeft Rik Schoon zo'n model uitgewerkt.
Kortom de methode Poutsma en CP-methode beoordelen de conditie van de reeën en dus hun leefomgeving. Daaruit komen gegevens over de leefomgeving die gebruikt kunnen worden om die leefomgeving te beoordelen. Van dergelijke gegevens maken de methoden van Haaften en Geldersche Achterhoek gebruik om de leefomgeving te beoordelen en de verwachte reeënstand te schatten. Met het logistisch model kan tenslotte de aantalsontwikkeling beoordeeld worden. Deze cirkel van methoden kan bij elke methode gestart worden. Geen van de methoden kan echter zonder de ander. Met de huidige kennis is de beoordeling van de leefomgeving het meest stabiele uitgangspunt voor het berekenen van de draagkracht en het beoordelen van de reeëndichtheid.
auteur: Herzo van der Wal (c) 2009