De draagkrachtmethode ‘Van Haaften’, beschreven in de dissertatie ‘Das Rehwild in verschiedenen Standorten der Niederlande und Slowenien. Med. ITBON 76/1968’, geeft een waardering aan het biotoop voor reeën. In het boekje 'Reewild en reewildbeheer' is deze kennis uitgewerkt.
Het biotoop wordt onderscheiden in:
- veldgrenspercentage
- oppervlakte weiden en akkers
- dekkingspercentage
- boomsoortenverdeling
- zuurgraad van de grond.
Veldgrenspercentage
Het veldgrenpercentage geeft, in procenten van de totale veldgrens, de grens tussen dekking en open veld.
|
0%
|
1-20%
|
21-40%
|
41-60%
|
61-80%
|
81-100%
|
|
4 punten
|
6 punten
|
8 punten
|
12 punten
|
16 punten
|
20 punten
|
Dekkingspercentage:
Dekkingspercentage is de oppervlakte permanente dekking van de totale veldoppervlakte in procenten.
|
0%
|
1-10%
|
11-20%
|
21-40%
|
41-60%
|
61-70%
|
71-80%
|
>80%
|
>80%
|
|
0
|
5
|
10
|
15
|
20
|
30
|
20
|
15
|
20
|
De waardering van veel dekking (>80%) is lager als de omgeving bestaat uit bos in plaats van weide, akkers of heide.
Oppervlakte weiden en akkers
De totale opervlakte weiden en akkers wordt gewaardeerd als het percentage dat die oppevlakte is van de totale oppervlakte te waarderen gebied.
|
0%
|
1-4%
|
5-10%
|
11-20%
|
>20%
|
|
0
|
2
|
6
|
10
|
15
|
Boomsoortenverdeling
De boomsoortenverdeling wordt gewaardeerd door de punten voor het type bos te vermenigvuldigen met het percentage oppervlak van dat type bos van de totale dekking bestaande uit bos en brede houtwallen.
|
Naaldbos zonder ondergroei
|
2
|
|
Naaldbos met ondergroei
|
6
|
|
Gemend bos zonder ondergroei
|
6
|
|
Gemengd bos met ondergroei
|
10
|
|
Loofbos zonder ondergroei
|
8
|
|
Loofbos met ondergroei
|
15
|
|
loofbos van 30-50% eik
|
15
|
|
loofbos van > 50% eik
|
20
|
Zuurgraad (PH) bodem
De waardering van de zuurgraad bestaat uit een waarde voor een zuurgraad maal het percentage van de oppervlakte met die zuurgraad van de toatle oppervlakte te waarderen gebied.
|
pH 4,0
|
pH 4,0-4,9
|
Ph 5,0-5,9
|
pH 6,0-6,9
|
pH 7,0-
|
|
4
|
8
|
12
|
16
|
20
|
Biologisch toelaatbare reeëndichtheid per 100 hectare dekking in bos-en natuurgebieden
Na het optellen van de punten is in onderstaande tabel af te lezen welke de meest gewenste dichtheid per 100 ha dekking voor het betreffende terrein is.
|
Punten
|
0-25
|
26-30
|
31-35
|
36-40
|
41-50
|
51-60
|
61-70
|
71-80
|
81-100
|
|
Aantal reeën
|
0
|
2
|
4
|
6
|
8
|
9
|
10
|
11
|
12
|
Biologisch toelaatbare reeëndichtheid per 100 hectare dekking in cultuurlandschappen, zoals geadviseerd door de Commissie Beheermodel van de VHR en prof. J.L. van Haaften .
Uit recente gegevens, uit de praktijk, blijkt dat met name in landbouwgebieden de actuele aantallen reeën hoger kunnen liggen dan de berekende doelstanden zonder dat belangen noemenswaard worden geschaad. Daarom is voor cultuurlandschappen de puntentelling iets aangepast (zie onder).
Klimaatverandering speelt hierin mogelijk ook een rol. In de winter is er meer voedsel aanwezig dan vroeger, waardoor er meer reeën in bepaalde terreinen kunnen overleven.
|
Punten
|
0-25
|
26-30
|
31-35
|
36-40
|
41-50
|
51-60
|
61-70
|
71-80
|
81-100
|
|
Aantal reeën
|
0
|
3
|
5
|
7
|
9
|
11
|
12
|
13
|
15
|
Voor grootschalige bos- en natuurgebieden zonder een substantieel aandeel voor reeën benutbare landbouwgronden, blijft de oude puntentelling van toepassing.
Veldreeën
De waarderingsmethode Van Haaften blijkt niet goed toepasbaar voor veldreeën die leven in gebieden met weinig permanente dekking. In dit soort situaties is het dus niet goed mogelijk om vooraf een goede indicatie te hebben van een gewenste stand. Deze stand zal proefondervindelijk moeten worden vastgesteld. Hiervoor zijn de conditie van de reeën (dierenwelzijn), de mate waarin door reeën schade wordt veroorzaakt aan landbouwgewassen (economische schade) en aanrijdingen met reeën (verkeersveiligheid) bepalend.
In gebieden met veldreeën is het dus zaak om in eerste instantie op het oog de conditie van de levende dieren vast te stellen (al dan geen vuile spiegel), het valwild te registreren, de schade aan landbouwgewassen in beeld te brengen en het aantal aanrijdingen met reeën vast te leggen. Zodra er aanleiding is om over te gaan tot afschot, moeten vanzelfsprekend de lichaamsgewichten of het CP van de geschoten dieren worden vastgelegd.
Aanbevolen wordt om onderzoek te laten verrichten naar een biotoop waarderingsmethode (naar analogie van die van Van Haaften) voor de open landbouwgebieden in het noorden van het land.
Edelhert en damhert
Correctie van de gewenste reeënstand voor de aanwezigheid van edelhert en of damhert kan in situaties met lage dichtheden (<5 per 100 ha) achterwege blijven. In situaties met hoge dichtheden kan correctie wel noodzakelijk zijn. Hiervoor wordt verwezen naar de expertise van de Vereniging Wildbeheer Veluwe.
Bijlage 5
Gewichten van geschoten reeën
De gewichtenvan de geschoten dieren moeten consequent worden genoteerd (met één cijfer achter de komma) en dit altijd in relatie met het reewildmerknummer, datum afschot en leeftijd. Een handzame unster die tot 25 kg gaat is dus onontbeerlijk.
Een voorbeeld van de informatie die in ieder geval beschikbaar moet komen, is in een schematisch
Voorbeeld
|
Datum
afschot
|
Wildmerk-
nummer
|
Leeftijd
|
Ontweid gewicht
in kg.
|
|
|
|
Kalf ( < 1 jaar)
|
1 – 2 , jaar
|
> 2 jaar
|
|
|
|
|
geit
|
bok
|
smalree
(geit)
|
jaarling
(bok)
|
geit
|
bok
|
|
|
11/02/07
|
RW 1720
|
x
|
|
|
|
|
|
9,2 kg.
|
|
11/02/07
|
RW 1721
|
x
|
|
|
|
|
|
8,1 kg.
|
|
15/02/07
|
RW 1722
|
|
|
|
|
x
|
|
15,8 kg
|
|
20/02/07
|
RW 1723
|
|
|
x
|
|
|
|
12,3 kg.
|
|
8/05/07
|
RW 1746
|
|
|
|
x
|
|
|
12,0 kg.
|
|
18/05/07
|
RW 1747
|
|
|
|
x
|
|
|
11,9 kg.
|
|
1/08/07
|
RW 1748
|
|
|
|
|
|
x
|
16,3 kg.
|
Bij de uitwerking op WBE niveau van de gemiddelde gewichten per leeftijdscategorieis het raadzaam bij de kalveren de gemiddelden per maand te berekenen. Dit omdat het gewicht van de kalveren aan grotere schommelingen onderhevig is dan bij volwassen dieren (verschil in gewicht begin en eind afschot periode.
Bij de uitwerking van de gemiddelde gewichten van reebokken is het raadzaam een onderverdeling te maken van gemiddelde gewichten voor en na de bronst. Immers, tijdens de bronst verliest de bok het nodige aan gewicht.
Hiermee wordt ook direct duidelijk dat uitwerking van deze gegevens niet mogelijk is wanneer de datum van het afschot niet bekend is.