donderdag, september 09, 2010
 
Beheermethode van Reeën (Poutsma - Kotter)

BEHEERMETHODE VAN REEEN  POUTSMA - KOTTER

DOELSTELLING
Eén van de doelen is het behoud van een gezonde reeënpopulatie.
Dit kan worden bereikt door een deskundig en actief beheer op basis van door de overheid verstrekte richtlijnen. Uitgangspunten zijn biologische gegevens die van belang zijn voor de gezondheidstoestand en het welzijn van de in het werkgebied van de WBE voorkomende reeën.
Beheermaatregelen zullen worden uitgevoerd in overleg en /of in samenwerking met de beheerders van het werkgebied. Hierbij wordt uitgegaan van de draagkracht van het gebied, waarbij wordt gelet op een afstemming van de omvang van de reeënpopulatie op het voedselaanbod van het werkgebied.

Onder draagkracht wordt hier verstaan:
Een dynamische evenwichtssituatie waarbij een aantal reeën blijvend gebruik kan maken van het voedselaanbod zonder dat dit negatief wordt beïnvloed.
Door de ontwikkelingen van de reeënpopulatie nauwkeurig te volgen, waarbij relevante gegevens worden geregistreerd, wordt inzicht verkregen in de evenwichtssituatie tussen de voedselsituatie en de reeën. Naar aanleiding hiervan kan al dan niet worden overgegaan tot het uitvoeren van beheermaatregelen.

De beheermethode van Poutsma laat populatie beheer van reeën toe op plaatsen waar van nature lager in rangorde staande dieren zijn of naar toe trekken. Hoog in de rangordepositie staande reeën eisen de beste terreingedeelten op en verdrijven lager geplaatsten naar plekken die voor reeën minder geschikt zijn. De kwaliteit van het leefgebied bepaalt of er wel of geen afschot plaats vindt. Door deze werkwijze wordt de kerngroep van de populatie ontzien en wordt er ruimte gemaakt voor migrerende reeën.

Mens & ree
Alvorens wordt overgegaan tot daadwerkelijk ingrijpen in de het voedselaanbod en /of de reeënstand van het gebied, moeten inventarisaties worden uitgevoerd. Deze inventarisaties hebben betrekking op zowel het voedselaanbod als het gebruik daarvan door reeën.
Tijdens de inventarisaties dient rekening gehouden te worden met de voedselstrategie en de sociale organisatie van reeën.
* reeën hebben een voorkeur voor licht verteerbare plantendelen en met een hoog nutriënten gehalte.
* reeën hebben ten opzichte van andere herkauwers een hoge stofwisseling en een kleine pensinhoud. Dit betekent dat deze dieren per tijdseenheid veel energie uit hun voedsel moeten halen. Hiermee is de voorkeur voor licht verteerbaar voedsel met een hoog voedingsgehalte en een snelle doorstroming verklaard.
* Dominantie regelt de verdeling van beide seksen over het gebied. Dominante dieren vestigen zich in terreingedeelten met het beste voedselaanbod en goede overlevingskansen.

Energiehuishouding
Reeën hebben hun leefwijze ingesteld op het voedselaanbod. Gedurende de wintermaanden, wanneer geschikte voedselplanten zeldzaam zijn, wordt de stofwisseling verlaagd. In de maanden maart en april en ook gedurende oktober en november wordt er meer voedsel opgenomen dan er op dat ogenblik wordt verbruikt. De voorjaars eetpiek correspondeert met het aanzuiveren van energietekorten die tijdens de wintermaanden zijn ontstaan. Tijdens de herfst-eetpiek wordt extra opgenomen energie als lichaamsvet opgeslagen.

INVENTARISATIE VAN HET VOEDSELAANBOD  (VEGETATIE)
Een geschikte tijd voor de opname van het voedselaanbod is eind mei en de gehele maand juni. Verder verdient het aanbeveling om in de herfst de mastproducerende bomen en de teelt van de gewassen, die gedurende de wintermaanden te velde staan, in de voedselaanbodkaart aan te geven. De productie van eikels en beukennootjes wordt aangegeven met geen / weinig / matig / veel.

Voedselplanten & kwaliteit
1. de plantendelen moeten bereikbaar zijn (0-120cm).
2. de plantendelen moeten licht verteerbaar zijn.
3. er moeten een grote variatie aan plantensoorten in het gebied voorkomen.

Voedselplanten & kwantiteit
De hoeveelheid plantenvoedsel moet worden vastgesteld. Hiervoor wordt de bedekkingsgraad van de bereikbare geschikte plantendek geschat.
Terreingedeelten kunnen op grond van deze inventarisatie als volgt worden ingedeeld:

GOED
Terreingedeelten waar meer dan 60% van de bodem wordt bedekt door geschikte voedselplanten, worden als GOED gewaardeerd.
 

MATIG
Terreingedeelten waar 30-60% van de bodem wordt bedekt door geschikte voedselplanten, worden als MATIG gewaardeerd.

SLECHT
Terreingedeelten, waar 0-30% van de bodem wordt bedekt door geschikte voedselplanten, worden als SLECHT gewaardeerd.

De op deze wijze gekwalificeerde terreingedeelten worden in een kaart aangegeven.

INVENTARISATIE VAN REEEN
Tellingen & aantallen
Tellingen van reeën worden vaak gezien als een belangrijk meetpunt bij het beheer. De getelde reeën geven echter geen inzicht in het werkelijke aantal reeën dat in een gebied leeft. Het is bekend dat hierbij grote fouten worden gemaakt, die variëren tussen 30 en 300 %. Bovendien geeft het aantal getelde reeën geen inzicht in de relatie tussen het voedselaanbod en de reeën. Toch kunnen tellingen bruikbare gegevens opleveren over de verspreiding van de dieren over het gebied in de loop van het jaar. Daarnaast kan enig inzicht worden verkregen in de effectieve reproductie, uit de verhouding volwassen geiten /kalveren. 

Aan continue-tellingen, enige malen per week uitgevoerd gedurende het gehele jaar, wordt de voorkeur gegeven boven incidentele tellingen b.v. drie achtereenvolgende schemerperioden in het voorjaar. Tijdens het uitvoeren van de tellingen moet rekening worden gehouden met het tijdstip van de dag, het jaargetijde, de wijze waarop geteld wordt en de kwaliteit van de tellers. Het exacte aantal reeën kan ook hiermee niet worden bepaald. Het hoogste aantal getelde dieren moet als minimum bestand worden beschouwd.

De tellingen worden regelmatig over het jaar verdeeld en per jachtveld uitgevoerd, b.v. twee tellingen per week. De telformulieren worden één keer per maand verwerkt. Dubbeltellingen worden verwijderd.

De gezamenlijke seizoen-telgegevens worden op de voedselaanbodkaart ingetekend. Hierdoor krijgt men niet alleen inzicht in het aantal, de reproductie, de geslachtsverhouding maar ook in de verspreiding van de reeën over het gebied gedurende het jaar. De uitkomsten van de tellingen moeten als indicaties worden beschouwd en niet als absolute waarden.

De uitkomsten, die de tellingen opleveren, mogen niet als enig gegeven worden gebruikt voor het opstellen van het afschotplan, want er is nog geen inzicht in de relatie tussen het voedselaanbod van het terrein en de omvang van de populatie reeën.

Het is daarom van belang om andere meetpunten te gebruiken.

Vooral de toestand waarin reeën gedurende de wintermaanden verkeren geeft informatie over de relatie voedselaanbod /reeën.
Aan levende reeën in het veld valt, tijdens de wintermaanden, de conditie moeilijk vast te stellen. Daarom is het noodzakelijk, dat voor bemonstering enige reeën worden afgeschoten.
De leeftijdsgroep die de meeste informatie oplevert zijn de kalveren deze dieren zijn in het gebied opgegroeid.

Metingen aan dode reeën gedurende de wintermaanden
Vooropgesteld wordt dat enkele kalveren steekproefsgewijs uit deze leeftijdsgroep worden geschoten. Dit betekent dat bijvoorbeeld het eerste, het derde en het vijfde waargenomen kalf wordt geschoten. Hierover worden vaste afspraken gemaakt.
Dit ongeacht zijn uiterlijke verschijning. Daarbij moet worden opgemerkt dat de keuze van deze dieren als volgt gebeurt. De selectie van het kalf gebeurt altijd van links naar rechts. Dit om te voorkomen dat alleen slecht ontwikkelde kalveren worden geschoten. Uitkomsten van metingen van deze dieren leveren dan een vertekend beeld op van deze leeftijdsgroep.

Bepaling van het gewicht
Hiervoor wordt het ontweide gewicht bepaald. Voor het vaststellen van het ontweide gewicht worden de reeën ontdaan van het hart, de longen, het middenrif, het maagdarmkanaal, de lever, de milt, de nieren en de geslachtsorganen. De huid, de kop en de poten worden wel meegewogen.
 

Bepaling van de groei
Dode reeën leveren zeer bruikbare gegevens op voor de bepaling van de groei. Hiervoor worden enige lichaamsafmetingen gemeten.

De romplengte en de borstdiepte komen in aanmerking.
De lengte van de romp wordt gemeten met een grote schuifmaat, waarop een maatverdeling is aangebracht. Het dier wordt daarvoor op een vlakke ondergrond neergelegd. De romp wordt zodanig tussen de meetvlakken van de schuifmaat gebracht, zodat het ene einde tegen het borstbeen rust en het andere einde tegen het zitbeen. De meetvlakken worden naar elkaar toegeschoven tot er weerstand wordt gevoeld. De ruglijn van het dier moet tijdens de meting recht blijven. Door de ree met de rugzijde tegen een vast voorwerp aan te leggen kan kromming worden voorkomen.

De borstdiepte wordt met dezelfde schuifmaat gemeten. De meetplaats ligt hier vlak achter één van de voorpoten. Voor de goede orde moet worden opgemerkt dat alle metingen worden verricht aan reeën die nog niet zijn ontweid.

Met de romplengte en de borstdiepte kan de GROEI van de kalveren worden vastgesteld.

ONTWIKKELINGSGETAL (groei) = 0.1 x ROMPLENGTE x BORSTDIEPTE

Bepaling van de conditie
Met de romplengte, de borstdiepte en het ontweide gewicht kan de CONDITIE van de reeën worden vastgesteld.
 
CONDITIEPRODUCT  =  0.1 x het ONTWIKKELINGSGETAL x het ONTWEID GEWICHT

Bepaling van het beenmergvetpercentage
Voor de bepaling van de overlevingskansen gedurende de wintermaanden wordt het beenmergvetpercentage van het opperarmbeen bepaald. Dit beengedeelte wordt voorzichtig verwijderd, dit om het wildbraad zo weinig mogelijk te beschadigen.

Bepaling van het aantal embryo's bij drachtige geiten
In de baarmoeder van drachtige geiten komen embryo's voor.
Het aantal embryo’s en het geslacht wordt vastgesteld.

Bepaling van de leeftijd van reeën
Daarvoor wordt een helft van de onderkaak gebruikt. De kaaklengte wordt gemeten. Daarnaast wordt aan de hand van de slijtage van de gebitselementen de leeftijd van het ree vastgesteld.

Werkzaamheden
Het voedselaanbod voor reeën binnen het werkgebied van de WBE wordt door de leden daarvan geïnventariseerd. Dit vindt plaats in de voorzomer. Daarnaast worden terreingedeelten waar gedurende oktober /november mastdragende bomen en wintergewassen staan, nogmaals geïnventariseerd.
Per onderdeel worden zowel de gegevens van de reeën en vegetatie geanalyseerd waardoor er een betrouwbaar beeld ontstaat van de situatie. De uitkomsten per onderdeel worden vergeleken met resultaten uit andere vergelijkbare gebieden. Aan de hand van deze gegevens kunnen eventueel beheermaatregelen genomen worden.

Telgegevens en monsters van afschot worden geleverd door de WBE.
Tevens verstrekt de WBE de volgende gegevens:
* Kaart van het werkgebied (schaal 1 : 25.000)
* Gegevens met betrekking op de stand van de reeën:
* Stand in het voorjaar  b.v. 1997, 1998 en 1999.
* Najaarsstand in b.v. 1997,1998 en 1999.
* Totale afschot gerealiseerd in b.v. 1997, 1998 en 1999.
* Valwild in 1997, 1998 en 1999.

BEPALING van de PLAATSEN WAAR het AFSCHOT PLAATS VINDT
De selectie vindt plaats via een natuurlijk proces, dit omdat er een populatie reeën wordt beheerd. Hoog in de rangordepositie staande reeën eisen de beste terreingedeelten op en verdrijven lager geplaatsten naar plekken die voor reeën minder geschikt zijn. In deze marginale terreingedeelten, herkenbaar op de voedselaanbod kaart als slecht, vindt het afschot plaats. De kwaliteit van het leefgebied bepaalt of er wel of geen afschot plaats vindt. Door deze werkwijze wordt de kerngroep van de populatie ontzien en wordt er ruimte gemaakt voor migrerende reeën.

SCHADE
Het bovenbeschreven draagkrachtmodel is niet van toepassing voor schadegevoelige teelten. De schade door reeën kan worden ingedeeld in twee rubrieken:
? vraat
? veegschade
Om de kans op schade te verminderen verdient het aanbeveling om
gedurende de wintermaanden het afschot in de kwetsbare gebieden te verhogen. De voorkeur gaat hierbij uit naar afschot van kalveren, dit geldt zowel voor geitkalveren als bokkalveren. De geiten worden hierbij gespaard waardoor een duidelijk waarneembare aantalsreductie optreedt. De geiten blijven hun plaats in de sociale structuur behouden. Bij afschot van volwassen geiten zouden er open plekken ontstaan, die spoedig door andere gezinssprongen zullen worden ingenomen.

Op deze wijze kan men niet alleen vraat tegengaan, maar ook veegschade. Jonge bokken zijn in het voorjaar verantwoordelijk voor een verhoogd veeggedrag van territoriumhouders. Wanneer het aantal bokkalveren vermindert blijkt de veegschade aanzienlijk geringer te zijn.

Opgave van schade.
Schade in b.v. 1997, 1998 en 1999.
? gemeld bij de wildschadecommissie
? niet gemeld bij de wildschadecommissie

Overige informatie
Opgave van schade in voorgaande jaren.
Welke preventieve maatregelen zijn getroffen?
Het in kaart brengen van kwetsbare gebieden uit oogpunt van schade aan bedrijfsmatige landbouw.

VERKEER
Ook maatregelen die betrekking hebben op de verkeersveiligheid passen niet in het draagkrachtmodel.
Op een kaart worden de plaatsen aangegeven waar verkeersslachtoffers worden aangetroffen. Daarnaast is een beschrijving aanwezig van de maatregelen die zijn getroffen om de verkeersveiligheid te bevorderen.


Snel verder

Kenniscentrum Reeën Gebruiksovereenkomst Privacybeleid