zondag, mei 20, 2012
 
Traditioneel t.o.v. geïntegreerd bosbeheer

bron: vakblad natuurbeheer, 7, 1999

Gebaseerd op: geïntegreerd bosbeheer en grofwild, G.W.T.A. Groot Bruinderink, A. T. Kuijters, D. R. Lammertsma, Nederlands bosbouw tijdschrift, 1998, jaargang 69 nr. 2

Het traditionele bosbeheer kenmerkt zich door kapvlakten over grote oppervlakten. Deze beheersvorm lijdt tot de versnelde afbraak van het organisch bodemmateriaal en stelt de bodem bloot aan uitdroging. Veel voedingsstoffen in een droge bodem met daarop veel licht resulteren in een grootschalige verjonging van pionier houtsoorten zoals grove den, berk en lijsterbes en een weelderige groei van struiken en kruiden. Deze overmaat aan voedselaanbod over grote oppervlakten betekent dat het wild zich daar vanuit de wijde omtrek gaat concentreren; hert, ree en wilde zwijn houden zich daarom graag op kapvlakten op. Zonder rasteren lukt het dan niet om loofbos ontwikkeling van de grond te krijgen. Hoe verlopen deze processen bij geïntegreerd bosbeheer?

  • Het voedsel van reeën bestaat vooral uit blauwe bosbes, jonge loten van struikheide en bladeren en knoppen van loof boomsoorten. In de naam winters zijn blauwe bosbes, beukennootjes en eikels van belang. Reeën eten nauwelijks gras.
  • Het natuurlijke voedsel van edelherten bestaat uit gras (bochtige smele, breedbladige verrassen op wildweiden) blauwe bosbes, bladeren, stengels en knoppen van loofboomsoorten en eikels.'s winters vullen de herten deed aan met naalden van grove den en jonge scheuten van struikheide.
  • Wilde zwijnen eten graag breedbladige grassen, bochtige smele, veel eikels en beukennootjes, wortels van grassen en jonge bomen, wortelstokken van adelaarsvaren's, bosbessen en dierlijk voedsel. In de herfst en winter is het aanbod van eikels en beukennootjes van grote invloed op het voedselpakket.

Grofwild en bos ontwikkeling

De invloed van grofwild op de ontwikkelingsmogelijkheden van het bos is het sterkste bij de bos verjonging. Hun belangstelling voor zaden en klimplanten speelt daarbij een belangrijke rol. Bij het wilde zwijn staan zowel de zaden als de klimplanten van eik en beuk hoog op de focus lijst. Edelhert en ree hebben naast eikels en beukennootjes ook een sterke voorkeur voor zaailingen en jonge boompjes van soorten als lijsterbes, eik, beuk en zachte berk. Dit verklaart de voorkeur van deze diersoorten voor eiken- en beukenbos en kapvlakten. Op de kapvlakten is zowel de hoeveelheid als kwaliteit van gelijksoortig voedsel hoger dan in het bos. Dit hangt samen met de gunstige lichtinval en een hoger aanbod van voedingsstoffen. Door het grote voedsel aanbod gaan grazers als edelherten zich in grote groepen langere tijd op kapvlakten ophouden. Het gevolg is dat de jongeling een groei van loofbomen sterk onder druk komen te staan.

Bescherming van bosverjonging

Zonder bescherming van de verjonging van loofbomen door een afrastering verdwijnt deze vrijwel geheel en vormen minder aantrekkelijke en weinig geprefereerde naaldboomsoorten als grove den de volgende bos generatie. Het bos blijft dan lang in een pioniersfase. Bij de boomsoorten zelf zijn twee 'strategieën' mogelijk om te verjongen onder wilddruk: "tolereren of vermijden van vraat". Naaldbomen als grove den "tolereren vraat", maar bevatten terpenoïden die fungeren als anti-vraatstoffen; zij worden daardoor minder graag gegeten. Loofboomsoorten daarentegen worden wel graag gegeten, maar er zijn verschillende manieren waardoor ze vraat "vermijden". De volgende eigenschappen spelen daarbij een rol en zorgen ervoor dat zij aan wildvraat kunnen ontsnappen:

  • hogere groeisnelheid om snel boven de vraat grens uitkomen, bijvoorbeeld bij pionierssoorten zoals lijsterbes, berk, populier en wilg. Iets dergelijks geldt ook voor douglas. Een dichte verjonging van douglas wordt wel begraasd, maar deze zal uiteindelijk toch boven de graaslijn uitgroeien.
  • Het maken van vegetatieve uitlopers, waarbij de buitenste de binnenste kunnen beschermen, zoals dat bij de Iep gebeurt,
  • spreiding in de tijd door bijvoorbeeld mastjaar een; door eens in de zoveel jaar massaal te kiemen is het aanbod aan jonge boompjes tijdelijk groter waardoor de kans op ontsnapping aan straat toeneemt;
  • het dragen van doornen en stekels.

Wanneer deze eigenschappen niet of onvoldoende aan de orde zijn, zal een perceelsgewijze afrastering of individuele bescherming nodig zijn om het risico van wildvraat te verkleinen. Een andere mogelijkheid is het na de velling achterlaten van takken en boomtoppen en dood hout. Kiemplanten kunnen binnen de bescherming van dergelijke "takkenkooien" opgroeien. Bij een redelijk lage wilddichtheid en grootte aaneengesloten leefgebieden zijn rasters dan minder snel nodig.

Het voedsel aanbod bij geïntegreerd bosbeheer

Geïntegreerd bosbeheer leidt tot meer variatie in de horizontale en verticale structuur en daarmee tot gevarieerde leefomstandigheden voor planten- en diersoorten dan bij het kaalkapbeheer. Op de arme zandgronden is kleinschalige lichting van het kronendak voordelig voor de verjonging van loof boomsoorten als zomereik, wintereik en beuk. Verjonging van deze soorten profiteert van de vochtige microklimatologische omstandigheden van een slechts gedeeltelijk aan het zonlicht blootgestelde bosbodem.

Geintgreerd loofhoutbosbeheer

Geïntegreerd bosbeheer kenmerkt zich bovendien door stabiliteit en geleidelijkheid; het microklimaat van het bos blijft zoveel mogelijk gehandhaafd. Daardoor wordt de voedingstoestand van de bodem en dus ook de productiviteit van de groeiplaats, beter geconserveerd. Al deze factoren leiden tot een hogere en gelijkmatige voedselaanbod dan bij het kaalkapbeheer. Daarbij komt nog dat bij geïntegreerd bosbeheer de beheersmaatregelen op zich weliswaar kleinschalig zijn, maar dat ze om redenen van efficiëntie worden uitgevoerd over grote aaneengesloten oppervlakten. Dit leidt tot een verspreiding van het voedselaanbod over een grote oppervlakte. Hierdoor verspreidende hoefdieren zich en dus ook de vraat druk. De concentratie van wild wordt als het ware verdund. Daarmee neemt de kans af dat jonge boompjes ten prooi vallen aan vraat. Ook deze vorm van "risicospreiding" kan eraan bijdragen dat het achterwege laten van uitrasteren tot de mogelijkheden gaat behoren. Kleinschalige verjonging maakt het bos aantrekkelijker voor “browsers" als het ree en voor "intermediair feaders" als het edelhert. Voor "grazers" als rund en paard is het daarentegen minder aantrekkelijk. Hier komt nog bij dat met het ouder worden van het bos naast het voedsel ook steeds meer beschutting wordt geboden. Dit betekent dat bij geïntegreerd bosbeheer de natuurlijke draagkracht toeneemt.  

REACTIES:  

De omvang van leefgebieden en (wild)dichtheden van grote hoefdieren 

Ervaringsdeskundige,Redacteur Kenniscentrum Reeën, H.S. van der Wal: Naarmate de draagkracht van de diersoort bereikt wordt zal ook de invloed van deze dieren op de natuurlijke bosverjonging weer de oorspronkelijke toestand bereiken alleen zal dit nu over het gehele gebied plaatsvinden bij een (veel) hogere dichtheid aan dieren. 

Bosecoloog, IKC Natuurbeheer, E. J. Al: stelt dat in het algemeen geldt, dat naarmate het aaneengesloten leefgebied in omvang toeneemt, het effect van grofwild op de vegetatie ontwikkeling minder homogeen is. De intensiteit van de vraat hangt daarbij natuurlijk ook sterk af van de wilddruk.

Voor duurzaam behoud van het bos blijft essentieel dat:

  • rasters binnen leefgebieden zoveel mogelijk verdwijnen om zo groot mogelijke aaneengesloten leefgebied te creëren,
  • bij voeding vooral in de winter in deze gebieden niet meer plaatsvindt om de tuurlijk regulatie mechanismen zo goed mogelijk te laten functioneren,
  • het wildbeheer gericht is op het enerzijds in de tijd te laten fluctueren van de wildstand en anderzijds deze gemiddeld niet boven de twee edelherten, twee wilde zwijnen en 41 per 100 ha te laten stijgen; gemiddeld over een periode van bijvoorbeeld 10 jaar dus acht hoefdieren per 100 ha, maar jaarlijks kunnen de aantallen hier aanzienlijk van afwijkend.

Zolang deze. Samen geen uitgangspunt voor het wild beheersvormen, zal ook geïntegreerd bosbeheer niet kunnen leiden tot duurzame bos instandhouding zonder gebruik te maken van rasters.

 Auteur, IBN-DLO, G. W. T. A. Groot Bruinderink

Is erg huiverig voor het vastleggen van gemiddelde dichtheden omdat dat haaks staat op de wens om de dieren zelf een en ander te laten bepalen. Hij begrijpt de opmerking wel vanuit de gedachte dat spontane bosverjonging mogelijk moet blijven, maar zou graag een visie presenteren die getuigt van oog voor dynamiek in aantallen, zowel in ruimte als in de tijd, ergo: natuurlijke aantallen. Vooral bij niet bij gevoederde wilde zwijnen worden snel werkelijkheid!

 Takkenkooien

Volgens E. J. Al valt de beschuttende werking van takken hopen en doornstruiken naar zijn eigen bevindingen sterk tegen: vooral reeën, konijnen en muizen voelen zich nauwelijks belemmerd door de takken en vreten de klimplanten met smaak op, terwijl alle grazers tezamen bramen, meidoorn en sleedoorn eveneens zeer kort weten af te vreten. 

Reactie: G. W. T. A. Groot Bruinderink

Is het ermee eens dat takken kooien niet altijd voldoende bescherming bieden. Van de andere kant zijn er ook gevallen bekend waar ze juist wel werken. Daarom raadt hij desondanks aan volgens het principe baat het niet dan schaadt het niet hier en daar takken en dood hout te laten liggen ter bescherming van kiemplanten.

Onderzoek

Door middel van kennisontwikkeling en kennisoverdracht een stevige impuls geven aan de onderbouwen, concretiseren en verankereng van geïntegreerd bosbeheer in de Nederlandse bosbouwpraktijk. Dit moet gebeuren door te bepalen hoe (geïntegreerd) bosbeheer moet worden uitgevoerd opdat het beheer leidt tot een door de beheerder gewenste functievervulling van het bos, binnen de grenzen van de financiële doelen.evert het op.

Subsidie

Als eigenaar of beheerder van een bos, stichting of uitvoeringsorganisatie binnen de bosbouwwereld, kunt u bij de provincie subsidie aanvragen voor geïntegreerd bosbeheer. Geïntegreerd bosbeheer is een beheervorm die erop is gericht de verschillende functies van het bos op kleine schaal (op opstandniveau) te integreren. De nadruk ligt daarbij op het zo optimaal mogelijk combineren van de natuurfunctie, de houtproductiefunctie en de recreatiefunctie (belevingswaarde).

U komt in aanmerking voor subsidie indien ten minste aan de volgende voorwaarde is voldaan:
- U gaat activiteiten verrichten op het gebied van geïntegreerd bosbeheer.

U kunt de subsidie aanvragen bij de provincie.


Vereniging Het Reewild Gebruiksovereenkomst Privacybeleid