Het Ree komt van nature in nederland voor het behoort tot de inheemse fauna. Het is geen wild in de zin van de flora- en faunawet. Het is een beschermde diersoort.
Het ree komt ook voor in gebieden die intensief door ons, mensen, worden gebruikt voor de teelt van allerlei gewassen. Het ree maakt daar dankbaar gebruik van. Hoe intensiever de teelt hoe groter invloeden zoals het weer of het ree zijn op de opbrengst. Verlies aan opbrengst is bijna onvermijdelijk. Soms is dat verlies aan opbrengst toe te wijzen aan één bepaalde factor bijv. het ree. Dat verlies van opbrengst is schade.
In dat geval dient de benadeelde er alles aan te doen om dat verlies te beperken. Alleen als de populatie van de soort dat toestaat kan zelfs ontheffing worden gegeven voor populatie-beheer.
Belangrijke schade kan worden veroorzaakt door het vegen van het gewei waardoor planten vernield worden. Maar de meeste faunaschade wordt veroorzaakt door vraat aan plantendelen. De schade in boom- en fruitteelt bestaat uit het vreten van eindknoppen en - scheuten. Waardoor de kwaliteit of de ontwikkeling van de planten te leiden heeft. Reeën hebben voorkeur voor bepaalde boomsoorten. Met name fruitsoorten, eiken, beuk, linde, es, esdoorn, abiëssoorten, grove den, douglas en fijnspar. Minder belangstelling bestaat voor lariks en Sitkaspar. Helemaal geen interesse heeft het ree voor populieren, elzen en berken.
De schade door reeën aan bosaanplant en -verjonging bestaat in de regel uit het afvreten van eindloten die belangrijk zijn voor de hoogtegroei van de boom. Als de jonge scheuten hoger zitten dan circa 1.20 dan is dat gevaar eigenlijk voorbij. Dezelfde aanplant is dan nog wel kwetsbaar voor het het markeren en vegen met en vegen van het gewei.
Schade door reeën hangt onder andere af van het beschikbaar zijn van voedsel, rust en dekking en de reeëndichtheid. Het beperken van de mogelijkheden voor reeën door bijvoorbeeld uitrasteren van schade gevoelige percelen lijdt tot verhoogd risico op schade in de resterende leefomgeving. In feite wordt door het plaatsen van zo'n omheining het leefgebied verkleind en daardoor de reeëndichtheid in het resterende gebied verhoogd. Dit leidt tot een negatieve spiraal van schade, raster, schade, raster, schade, raster die uiteindelijk lijdt tot versnippering van leefgebieden, stress, verzwakte reeën en langdurig veel verkeersslachtoffers.
Een gebrekkig inzicht in ecologische samenhang kan ook tot hoge wildschade leiden zelfs als de reeëndichtheid niet hoog is. Verstoring en daardoor verhoging en concentratie van reeën in dichte dekking van bijvoorbeeld jonge bosaanplant kunnen leiden tot volledig mislukken van die bosaanplant.
Bosbouwers behoren te weten welke soorten gevoelig zijn voor faunaschade en daarbij passende maatregelen te nemen. Bij maatregelen tegen wildschade dient men er van uit te gaan dat de meeste schade wordt veroorzaakt door vraat en dus samenhangt met het voedsel. Als de voedsel situatie in een bepaald gebied in eens enorm veranderd kan men beter eerst overwegen of de reeëndichtheid nog wel in overeenstemming is met de nieuwe draagkracht die gaat ontstaan. Het plaatsen van (dure) technische voorzieningen, zoals rasters leidt er namelijk toe dat de reeéndichtheid in het overige gebied plotseling toeneemt. Met als gevolg reeën die opzoek zijn naar een nieuwe plek die waarschijnlijk al bezet is. Daarbij komen ze in aanraking met soortgenoten, verkeer, kanalen en raken ze in stress.
Het terugbrengen van de reeëndichtheid tot een dichtheid die past bij de nieuwe situatie heeft al vaak geleid tot een acceptabele schadebeeld. Verdere maatregelen kunnen bestaan uit het afleidend voeren in de vorm van natuuronderhoud in de omgeving van schadegevoelige aanplant. Het is bijvoorbeeld van groot belang dat in de blijvende bosopstanden ondergroei niet wordt verwijderd maar pleksgewijs verjongt en wordt gestimuleerd. Bijvoorkeur enkele jaren voor de grote ingreep door regelmatig terugzetten kan deze opnieuw uitlopen en voor Reeën waardevol voedsel leveren.
Ook kan men in het gevoelige gebied een percentage van het aantrekkelijke materiaal beschermen zodat voldoende boompjes door de meest kwetsbare fase heen komen. Afzonderlijke boompjes kan men bijvoorbeeld voorzien van een manchet of draadkoker. Er zijn ook chemische afweermiddelen in de handel die men met behulp van de rugspuit kan aanbrengen. Bij een rigoreuze ingreep in het landschap zowel stadsuitbreiding als natuurontwikkeling en dus te verwachten wildschade is het belangrijk dat er goed wordt samengewerkt tussen terreinbeheerders, eigenaren van schade gevoelige teelten, wegbeheerders en faunabeheerders. De faunaschade wordt daardoor beter voorzien en waarschijnlijk beperkt.
Een reeëndichtheid handhaven die past bij de biotoop is één der belangrijkste taken van een modern reeënbeheer en de beste maatregel om schade op een zo natuurlijk mogelijke wijze te beperken.