Reeën zijn vooral actief in de ochtend- en avondschemering. Een telling kan daarom het best worden uitgevoerd gedurende de vroege ochtend, van ongeveer een half uur voor zonsopgang tot twee uur na zonsopkomst, en in de avond vanaf twee uur voor zonsondergang tot circa een half uur na zonsondergang. De resultaten van de telling worden in eerste instantie bepaald door de periode waarin geteld wordt, de wijze waarop geteld wordt en de kwaliteit van de tellers. Daarnaast zullen weersomstandigheden, menselijke activiteiten en de aanwezigheid van schapen en geiten de resultaten beïnvloeden.
De telgegevens worden op de kaart van het leefgebied ingetekend. Daardoor krijg je niet alleen inzicht in het aantal, de aanwas en de geslachtsverhouding maar ook in de verspreiding van de reeën over het gebied.
Het komt vaak voor dat de winterpopulatie reeën in een gebied afwijkt van de zomerpopulatie. Dit wordt onder andere veroorzaakt door het komen en gaan van de zomerdekking. Bovendien laten reeën zich in bepaalde perioden b.v de winter en na de bronst slecht zien. Dan is de stofwisseling van de reeën erg laag of herstellen zij van een intensieve periode. Ze verplaatsen zich dan minder en verblijven in de dekking. Het is goed daar kennis van te hebben aangezien dit consequenties heeft voor de reultaten van de tellingen.
Jaarrondtelling
Het meest betrouwbaar zijn de jaarrondtellingen, ook wel continutellingen genoemd, waarbij er tijdens het jaar consequent wordt bijgehouden waar en hoeveel reeën er zijn gezien. Daardoor krijg je een goed beeld van de reeën en hoe de reeëndichtheid in de zomer en winter is.
Voorjaarstelling
De meest efficiënte periode om de tellingen te doen is eind maart of begin april, de voorjaarstelling. De reeën staan dan in sprongen bij elkaar en laten zich goed zien. Door de tellingen drie maal uit te voeren, een avond-, een ochtend- en nog een avondtelling, zijn de waarnemingen minder gevoelig voor weersomstandigheden en menselijke activiteiten. Die kunnen namelijk het telresultaat nogal beïnvloeden. Wanneer de omstandigheden daarom vragen is het ook mogelijk een ochtend-,avond- ochtendtelling te organiseren.
Het is van belang van iedere waargenomen sprong de samenstelling in bokken, geiten en bok- en geitkalveren te noteren. In combinatie met plaats en tijdstip kunnen dan mogelijke dubbeltellingen worden voorkomen. Wanneer bijvoorbeeld de eerste avond op plaats X een geit met een bokkalf en een geitkalf wordt gezien en de avond daarop op dezelfde locatie een geit met twee bokkalveren, dan is duidelijk dat het om twee verschillende geiten met kalveren gaat. De vorm van de spiegel (let op het ‘schortje’ bij de geiten) is een betrouwbaar onderscheidend geslachtskenmerk. Als je bijvoorbeeld vanwege de afstand het onderscheid niet goed kan maken, horen de waargenomen dieren als 'onbekend’ te worden vermeld.
Voorbeeld telformulier
Telgebied: A.
|
Voorjaarstelling
|
Datum
|
tijdstip
|
bok
|
bokkalf
|
Geit
|
geitkalf
|
onbekend
|
totaal
|
|
|
2/04/07
|
19.30
|
1
|
1
|
1
|
1
|
|
4
|
|
|
|
19.45
|
2
|
1
|
2
|
|
|
5
|
|
|
|
20.15
|
|
3
|
1
|
1
|
1
|
6
|
|
|
|
20.30
|
|
|
2
|
2
|
|
4
|
|
|
|
totaal
|
3
|
5
|
6
|
4
|
1
|
19
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Eenzelfde telformulier wordt gebruikt voor de ochtendtelling.
|
Voorjaarstelling
|
Datum
|
tijdstip
|
bok
|
bokkalf
|
Geit
|
geitkalf
|
onbekend
|
totaal
|
|
|
3/04/07
|
06.55
|
|
|
1
|
|
3
|
4
|
|
|
|
07.02
|
|
1
|
2
|
|
2
|
5
|
|
|
|
07.12
|
|
3
|
1
|
1
|
|
5
|
|
|
|
07.28
|
1
|
|
1
|
|
|
2
|
|
|
|
07.30
|
|
|
1
|
|
|
1
|
|
|
|
totaal
|
1
|
4
|
6
|
1
|
5
|
17
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Door van iedere telling de hoogste score te nemen per bok, geit, bokkalf en geitkalf, wordt een totaalscore voor telgebied A gekregen. In bovenstaand voorbeeld zijn de meeste reeën geteld en aangesproken op de eerste avond. Toch kunnen in de morgentelling andere reeën geteld zijn. Alleen de kennis van de lokale beheerder of een tweede telling kan dan helpen deze individuele dieren als aparte exemplaren te bestempelen. Het is dan ook gebruikelijk dat de tellers samen de tellingen door nemen en de dubbeltellingen er uit te halen op basis van plaats en individuele kenmerken. Bijvoorbeeld samenstelling van de groep, locatie van de waarneming, vachtkleur, enzovoorts. Met name voor het vaststellen van dit soort kenmerken wordt de tweede avondtelling gebruikt.
Betrouwbaarheid en nauwkeurigheid reeëntellingen
Het exacte aantal reeën kan doormiddel van tellen niet worden bepaald. Tellingen van reeën zijn een belangrijke meting bij het beheer. De getelde reeën geven echter geen inzicht in het werkelijke aantal reeën dat in een gebied leeft. Het is bekend dat hierbij grote fouten worden gemaakt, die variëren tussen 30 en 300 %. (J.Poutsma, e.a.) Het hoogste aantal getelde dieren moet als minimum grote van de populatie worden beschouwd.
De uitkomsten van reeëntellingen moeten worden beschouwd als meest betrouwbare waarden voor de stand van de reeënpopulatie in een bepaald gebied. De uitkomsten van de tellingen geven geen inzicht in de relatie tussen de omvang van de populatie reeën en het voedselaanbod van het terrein. Daarvoor is namelijk ook wegen en meten aan de reeën en aan het leefgebied nodig. dat wordt wel gedaan bij het draagkracht bepalen.