zondag, mei 20, 2012
 
Wettelijke kaders

Het ree wordt beschermd door vermelding in tabel 1 van de Flora- en faunawet (2004)  

Daarnaast zijn er regels gesteld aan voor het gebruik van wapens en munitie bij het doden van reeën.

En wordt het omgaan met al dan niet dode reeën geregeld in de vorm van hygiëne voorschriften.

Het ree wordt beschermd door vermelding in tabel 1 van de Flora- en faunawet (2004) 
De status van het ree in het kader van de Rode Lijst Nederlandse zoogdieren (1994) is; niet bedreigd.
Het ree wordt genoemd in de Conventie van Bern (1982): bijlage 3
De leefomgeving van het ree wordt niet specifiek vermeld in de Habitatrichtlijn (1992)


Regelgeving vanuit gecoördineerde aanpak

Met de komst van de jachtwet van 1954 werden nieuwe bepalingen vastgesteld inzake de jacht en regelingen getroffen met betrekking tot schade door wild en het behoud van met name genoemde wilde diersoorten, het wild, in Nederland. Opening en sluiting van de jacht werden, in overleg met de jachtraad, centraal geregeld en het jachtfonds werd ingesteld.

Na het inwerkingtreden van de Jachtwet, per 15 juni 1955, werden maatregelen getroffen voor een goed beheer van onder andere de reeënpopulatie. Zowel de bepalingen van het gebruik van wapens en munitie (21-6-1955) als het zogenaamde wildmerkensysteem (12-1-1956) werden, in overleg met een aantal vooraanstaande grofwildjagers, ingevoerd. Daarna werd de jacht op reeën - in overleg met de jachtraad - gesloten en werd, in 1956, overgegaan tot een vergunningstelsel en een daarbij horend merkensysteem. Vanuit de toenmalige directie Faunabeheer werd aangenomen dat het verantwoorde beheer van reeën slechts kon plaatsvinden door een planmatige en gecoördineerde aanpak.

Van trofeeënjacht naar populatiebeheer
De jager voerde zijn beheer uit op basis van de de toenmalige opvatting dat dit kon op basis van de geweien van het mannelijk wild (grote geweien). Hij had er nog geen notie van dat hij niet op de goede weg was. De in de loop der jaren, door de vele deskundige leden van de Vereniging Het Reewild, in samenwerking met de overheid, ontwikkelde varianten daarop leidden er toe dat geweien steeds minder belangrijk werden.

Een aantal jaren na het inwerkingtreden van het vergunningensysteem bleek dat het afschot van reegeiten en kalveren behoorlijk achterbleef bij het afschot van de mannelijke stukken. Het gevolg daarvan was dat de reewildpopulatie toenam en er veel te hoge dichtheden ontstonden. Het onder andere daardoor ontstane tekort aan de noodzakelijke rust en aan hoogwaardig voedsel leidde ertoe dat er populaties waren, die een lage weerstand tegen ziektes ontwikkelden en een hoge sterfte vertoonden, vooral onder de kalveren. Er zijn toen voorstellen gedaan om de jacht op reegeiten en kalveren eerder dan 1 januari te laten beginnen.  

De afschotperioden
Over de tijden waarin op reebokken en -geiten gejaagd mocht worden is het nodige te doen geweest. Heel wat besprekingen en discussies lagen aan de huidige tijden ten grondslag.
De overheid en het bestuur van de Vereniging Het Reewild stonden op het standpunt dat het doel van het reewildbeheer was om de regulatie van het bestand zo efficiënt en effectief mogelijk te maken in de voor het reewild sociologisch en biologisch beste tijd, met de minste verstoring.
In het oog moest worden gehouden het bepaalde in artikel 20, 2e lid van de Jachtwet. Daarin wordt gesteld dat de jacht op ander dan de in artikel 8 genoemde wildsoorten niet wordt geopend gedurende het tijdperk van 16 februari tot 15 juli, tenzij de belangen van de landbouw zulks vereisen. De wettelijke neerslag van dit wetsartikel is gebaseerd op de gedachte - ook internationaal - dat in het werp- en broedseizoen rust in het veld moet heersen.
Reebokken (daar was men zuinig op) mochten van 1956 t/m 1958 worden bejaagd gedurende de periode 1 juni t/m 31 augustus. Vanaf 1959 t/m 1964, toen het resultaat van het gevoerde beleid merkbaar werd (de reewildstand nam toe), van 1 juni t/m 15 september. Van 1965 t/m heden van 1 mei t/m 15 september.
Voor reegeiten was het een ander verhaal. De discussie spitste zich voornamelijk toe op de vraag wanneer het verantwoord was om reegeiten te schieten.
De eerste draagtijd (vertraagde implantatie) van de reegeit bedraagt 5 maanden, van augustus t/m december. Natuurlijk zijn er reegeiten die zich niet aan deze tijd houden. Ik zou haast zeggen 'niets menselijk is de reegeit vreemd'. De sterkste ontwikkeling van het embryo geschiedt in de vroege lente. (Zie 'Voor U gelezen' , red.). Ook in dit opzicht kan men slechts bewondering hebben voor de natuur, die door de langzame ontwikkeling van het embryo (augustus t/m half december) voorkomt dat in de voor het reewild vaak moeilijke wintermaanden (voedsel) te hoge eisen aan het moederlichaam worden gesteld door de groeiende vrucht. De in mei geboren kalfjes kunnen in de herfst tot begin winter de leiding van de moeder nog niet missen. Het schieten van reegeiten mag derhalve tussen september en januari zeker niet plaatsvinden. Het schieten van een reegeit in de huidige periode (januari - maart) lijkt uit ethisch oogpunt op het eerste gezicht verwerpelijk, doch dit is altijd minder erg dan dat men het levende kalf of de kalveren de hongerdood laat sterven. Daarnaast bestaat het feit dat in september de groei begint van het eerste geweitje van het bokkalf, dat in december weer wordt afgeworpen.

Bokken zonder gewei
Eveneens diende er rekening mee te worden gehouden, dat de oudere bokken hun gewei hadden afgeworpen, waardoor vergissingen bij het afschot (onjuist aanspreken) eerder regel dan uitzondering zou worden. Het beoogde doel, het evenwicht in de geslachtverhouding, zou dan niet worden bereikt. De levenservaring van het moederdier is essentieel voor het kalf. Naar welke laveiplaatsen en dekkingen het kalf wordt gebracht, hoe het wordt verdedigd en hoe gevaren ontweken moeten worden. Naast haar eigen genetische aanleg is daarom vrouwelijk wild door de rechtstreekse invloed van haar constitutie en levensbekwaamheid van zeer grote betekenis voor de gezondheid van haar nakomelingen. Niet vergeten moet worden dat deze jonge generatie de basis legt voor de kwaliteit van de toekomstige stand.

Jachttijden in buurlanden
Verwezen werd naar de jachttijden op vrouwelijk reewild in Duitsland, een deel van Oostenrijk, Oost-Europa en Scandinavië. Dit nu was nu niet een bepaald gelukkige zaak, daar in de genoemde landen hetzelfde euvel zich voordeed (en nog voordoet) als in ons land, namelijk onderbejaging. Dat die openingstijden in die landen zo afwijkend (en vroeger) zijn van die in ons land houdt voornamelijk verband met de in die landen (in de periode januari - maart) heersende klimatologische omstandigheden: meer sneeuw en vorst dan in ons land met zijn zeeklimaat. De in Nederland voorgestane periode voor het geitenafschot lijkt vooralsnog de minst kwade.


Vereniging Het Reewild Gebruiksovereenkomst Privacybeleid