Bij de eerste beschikking (Staatscourant 1955, 118) omtrent het gebruik van wapens en munitie bij het afschot van Reeën, werden voorschriften gegeven waaraan het geweer en de munitie moesten voldoen om een voor het doden van een ree geoorloofd middel te worden. Men mocht alleen gebruik maken van geweren met ten minste één getrokken loop, voor zover daarin kogelpatronen werden gebruikt met een trefenergie van ten minste 100 kg/m op 100 meter afstand van de loopmond. Het kogelgeweer (getrokken loop) en kogelpatronen werden verplicht gesteld.
Voor de bovenvermelde datum mochten reeën ook worden geschoten met hagel die uit een gladde loop (hagelloop) afgevuurd kon worden. Als overgangsregeling werd in speciale gevallen (grienden etc.) werd voor de verplichting tot het gebruik van een geweer met een getrokken loop ontheffing verleend. Daardoor was het mogelijk om een lodenkogel te verschieten, die de hagellading verving, de zogenaamde Brennekepatroon, ook wel Brennekes genoemd.
Tot 31 maart 1964 bleef het mogelijk om een ontheffing te krijgen voor het doden van een ree met Brennekes loodprop. Sindsdien is alleen de kogel vanuit een geweer, met een getrokken loop en een trefenergie van 980 joule op 100 meter toegestaan. Daar is met de aanpassing van de jachtwet in 1976 nog het minimum kaliber 5,6 mm aan toegevoegd.