zondag, mei 20, 2012
 
Wapens en munitie

Bij de eerste beschikking (Staatscourant 1955, 118) omtrent het gebruik van wapens en munitie bij het afschot van Reeën, werden voorschriften gegeven waaraan het geweer en de munitie moesten voldoen om een voor het doden van een ree geoorloofd middel te worden. Men mocht alleen gebruik maken van geweren met ten minste één getrokken loop, voor zover daarin kogelpatronen werden gebruikt met een trefenergie van ten minste 100 kg/m op 100 meter afstand van de loopmond. Het kogelgeweer (getrokken loop) en kogelpatronen werden verplicht gesteld.  

Voor de bovenvermelde datum mochten reeën ook worden geschoten met hagel die uit een gladde loop (hagelloop) afgevuurd kon worden. Als overgangsregeling werd in speciale gevallen (grienden etc.) werd voor de verplichting tot het gebruik van een geweer met een getrokken loop ontheffing verleend. Daardoor was het mogelijk om een lodenkogel te verschieten, die de hagellading verving, de zogenaamde Brennekepatroon, ook wel Brennekes genoemd. 

Tot 31 maart 1964 bleef het mogelijk om een ontheffing te krijgen voor het doden van een ree met Brennekes loodprop. Sindsdien is 
alleen de kogel vanuit een geweer, met een getrokken loop en een trefenergie van 980 joule op 100 meter toegestaan. Daar is met de aanpassing van de jachtwet in 1976 nog het minimum kaliber 5,6 mm aan toegevoegd.


Flora en Fauna Minimaliseren

In de Flora en Faunawet is opgesomd waaraan middelen moeten voldoen waarmee dieren mogen worden gedood. Onderscheid wordt gemaakt in jagen op wild of doden van andere in het wild levende diersoorten.

  1. Geweren voor het doden van dieren en munitie voor deze geweren voldoen aan het tweede tot en met twaalfde lid.

  2.  Een geweer wordt slechts gebruikt door personen die in bezit zijn van een geldige jachtakte.

  3. Een geweer heeft een gladde loop met een kaliber van ten minste 24 en ten hoogste 12 of een getrokken loop met een nominaal kaliber van ten minste .22 inch of 5,58 millimeter.

  4. Een enkelloops hagelgeweer heeft een magazijn dat ten hoogste twee patronen kan bevatten.

  5. Een kogelgeweer heeft een magazijn dat ten hoogste twee patronen kan bevatten, tenzij het is voorzien van een grendelinrichting waarmee het wapen handmatig schot voor schot wordt geladen.

  6. Een geweer is niet voorzien van een geluiddemper, een kunstmatige lichtbron, een voorziening om de prooi te verlichten, een vizier met beeldomzetter, een elektronische beeldversterker of enig ander instrument om ’s-nachts te schieten.

  7. Er wordt bij het doden van dieren met geweren geen gebruik gemaakt van hagel: waarvan de korrelgrootte een doorsnede van 3,5 millimeter overschrijdt, of die metallisch lood bevat.

  8. Er wordt bij het doden van dieren met geweren geen gebruik gemaakt van militaire kogelpatronen, met inbegrip van fosfor- of lichtspoorpatronen, noch van kogelpatronen die niet vervormen bij het treffen.

  9. Geweren worden niet gebruikt:

    1. voor zonsopgang en na zonsondergang, met dien verstande dat wilde eenden waarop de jacht is geopend ook mogen worden gedood gedurende een half uur voor zonsopgang  en een half uur na zonsondergang,

    2. in de bebouwde kommen der gemeenten en in de onmiddellijk aan die kommen grenzende terreinen 

    3. binnen de afpalingskring van een geregistreerde eendenkooi, en

    4. vanuit vliegtuigen, rijdende motorvoertuigen of varende vaartuigen.

  10. Edelherten, damherten, en wilde zwijnen worden slechts gedood:

    1. op gronden waarvoor een faunabeheerplan geldt voor ten minste 5 000 hectare;

    2. met geweren met ten minste één getrokken loop, en

    3. met kogelpatronen van een kaliber van ten minste 6,5 millimeter voor getrokken loop waarvan de (tref)energie ten minste 2200 Joule op 100 meter afstand van de loopmond bedraagt.

  11. Reeën worden slechts gedood:  op gronden waarvoor een faunabeheerplan geldt voor ten minste 5 000 hectare; 

    1. met geweren met ten minste één getrokken loop,

    2. en met kogelpatronen voor getrokken loop waarvan de (tref)energie ten minste 980 Joule op 100 meter afstand van de loopmond bedraagt.

  12. Het tweede tot en met zesde lid en negende lid, onderdelen a en b, gelden niet voor het doden van huismussen en verwilderde rotsduiven met luchtdrukgeweren in gebouwen.


Vereniging Het Reewild Gebruiksovereenkomst Privacybeleid