De kalveren worden in mei of juni geboren. Meestal zijn dit er twee, soms één en soms drie. Geiten die vier kalfjes krijgen (zetten) zijn zeldzaam.
De plaats waar de kalveren gezet worden wordt door de geit uitgekozen. Meestal is dat in een bosrand met veel ondergroei, onder struiken of in knie hoog landbouwgewas zoals een weiland met lang gras of in het koren.Uit verschillende studies is gebleken dat velden die alleen bestaan uit bossen een lager aanwaspercentage kennen dan leefgebieden waarbij bossen en kruidachtige vegetaties elkaar afwisselen.
Kort voordat de geiten gaan zetten, zonderen ze zich af en bakenen een klein territorium af, dat ze gedurende drie weken verdedigen tegen andere geiten. Soms overlappen die territoria elkaar, in dat geval zijn de reegeiten meestal familie van elkaar. Wanneer de kalveren zich bij gevaar niet meer drukken maar met het moederdier mee vluchten, verdwijnt het territorium. De kwaliteit van die 'kraamkamer', dus de mate van voedselaanbod en veiligheid, correspondeert met de ranghoogte van de reegeit.
Na de geboorte worden de kalveren door de geit droog gelikt. De geboorteplek wordt door de geit zorgvuldig schoongemaakt vermoedelijk om zo weinig mogelijk geur achter te laten. Dat doet ze onder andere door de nageboorte op te eten. Kort na de geboorte doen de kalveren al pogingen om op te staan.
Bij hoefdieren die in roedels leven, leren moeder en kind elkaar in korte tijd kennen, vaak binnen slechts enkele minuten. Bij het ree duurt deze fase veel langer, meestal bijna drie weken. Gedurende de eerste twee weken kunnen kalveren geen onderscheid maken tussen de eigen moeder en een andere zogende geit. Er zijn bovendien aanwijzingen dat de geit haar kalveren niet herkent aan een individuele geur maar aan een voor kalveren algemene geur. Geiten zijn namelijk, tot in de vierde week bereid een vreemd kalf onder hun hoede te nemen. Tijdens deze periode kunnen kalveren van moeder wisselen en geiten niet eigen kalveren aannemen. Dat dit in de natuur zelden voorkomt is een aanwijzing dat de zogende geiten in die periode territoriaal leven en dat kalveren trouw zijn aan het gebiedje waarin zij zijn geboren.
De periode van enkele weken tussen de geboorte en het tijdstip waarop de kalveren de geit als hun eigen moeder kennen en gaan volgen is de gevaarlijkste periode voor de kalveren. In die kritische periode volgen de kalveren de geit niet steeds. Dagelijks zijn de geit en de kalveren maar gedurende een korte tijd bij elkaar.

In de eerste twee weken liggen de kalveren vaak op behoorlijke afstand van elkaar. Voor het zogen roept de geit de kalveren naar zich toe. Het uit zich zelf en op een eigen plek drukken in de eerste levensweken is een instinctieve handeling van de kalveren. Het verkleind het risico door bijvoorbeeld roofdieren gevonden te worden.
In tegenstelling tot wat men vroeger dacht bepalen kalveren actief en zelfstandig hun ligplaats. Tweelingen liggen zelden bij elkaar. Komt de geit om het kalf te zogen dan roept ze het waarschijnlijk omdat ze de precieze ligplaats niet weet. Dat komt omdat de geurklieren tussen de hoeven van het kalf nog niet volledig ontwikkeld zijn en dat de geit, in de eerste week, boonsel en urine van het kalf tot zich neemt waardoor er geen geur aanwezig is.
Indien de geit, in deze eerste weken, bij de kalveren is als er belagers zijn dan verdedigt de geit de kalveren door met de poten (lopers) te trappen en te slaan.
De grootste sterfte onder de kalveren wordt echter bepaald door de conditie van de geit. Die conditie wordt bepaald door voedsel, rust en dekking. En die worden weer beinvloed door weersomstandigheden, verstoring en reeëndichtheid.
Het zogen van de kalveren gebeurt diverse malen per dag en duurt per keer niet langer dan een minuut. De pasgeboren kalveren vinden in korte tijd de tepels. Tijdens het zogen wordt de buik en de anaalstreek van de kalveren door de geit gelikt. Hierdoor wordt de afscheiding van urine en ontlasting opgewekt. Die in de eerste twee weken door de geit wordt opgegeten.
De melk van het ree heeft een aanzienlijk hoger vetgehalte dan koemelk. Bovendien veranderd de samenstelling gedurende de lactatieperiode. Er zijn analyses van reeënmelk. Daar wordt door reeënopvangcentra gebruik van gemaakt als zij moederloze reekalveren kunstmatig opfokken. De melk van reeën lijkt nog het meest op de melk van geiten.
In het begin is het dagelijks contact tussen moeder en kind(eren) beperkt tot slechts enkele minuten, uitlopend tot een halfuur. Na twee dagen eet het kalf al aarde en na een week knabbelt het aan planten. Na ongeveer twee weken begint het kalf vluchtgedrag te tonen en na drie tot vier weken volgen de kalveren gezamenlijk de moeder. Reekalveren ontwikkelen zich veel sneller en gaan veel eerder over op vast voedsel dan kalveren van edelherten. Met het begin van de bronstijd is het zogen dan ook aanzienlijk afgenomen.
Naarmate de kalveren zelfstandiger worden worden zij meer direct beïnvloed door de beschikbaarheid van voedsel, rust en dekking. Dan gaan ook voor hen zaken als recreatiedruk en andere omstandigheden in kritische periodes zoals september-oktober en februari-maart mee spelen.
Gedurende de eerste twee weken drukken de kalveren zich als er onraad is. Ze kennen het gevaar nog niet en kunnen gemakkelijk benaderd en opgepakt worden. Met name in deze tijd zijn loslopende honden en maaimachines een groot gevaar voor de jonge reeën. Het gebeurt ook regelmatig dat reekalfjes door onwetende wandelaars worden opgepakt, in de veronderstelling dat ze door de moeder in de steek gelaten zijn.
Na de eerste twee weken volgen de kalveren de geit bij gevaar tot dat zij de geit niet meer bij kunnen houden. Waarna zij zich in de omgeving van de plek waar ze elkaar kwijt raakten verstoppen en zich steeds frequenter en klagender laten horen. Iets waar nog enkele dagen op gelet kan worden als een zogende reegeit (dikke melk gevende uier) slachtoffer is geworden van het verkeer.

Reeënonderzoekers gaan ervan uit dat de 'natuurlijke' geslachtverhouding tussen bok-en geitkalveren variëerd tussen 1:3 en 3:1. Zijn in de periode voorafgaande aan en tijdens de bronst de voedselomstandigheden gunstig, dan zullen in het voorjaar meer geit- dan bokkalveren worden gezet. Omgekeerd worden meer bokkalveren ter wereld gebracht als de voedselomstandigheden ongunstiger zijn. Dit lijkt ook afhankelijk van de mate waarin een reeënpopulatie gebruik maakt van een bepaald leefgebied.
Afhankelijk van de leeftijdsklasse vindt er ook een verschuiving van de geslachtverhouding plaats ten gunste van de vrouwelijke dieren omdat de voornmalijk jonge bokken uit het gebied emigreren.
Hoewel het aanwaspercentage in bossen lager is dan in velden waarbij bossen en kruidachtige vegetaties elkaar afwisselen is het aantal kalveren in zuivere bossen dat overleeft nagenoeg gelijk aan dat in de andere gebieden. Dat wordt met veroorzaakt door de hogere sterfte bij de kalveren in de overige gebieden. Die sterfte wordt waarschijnlijk veroorzaakt door andere oorzaken dan de hierboven beschreven sterftegevoeligheid. Je kunt daarbij denken aan maaislachtoffers en verkeersslachtoffers.
Naar: de Nederlandse jager 16/der Anblick 2007/6 / cursusboek reeënbeheer
auteur: onbekend
Aangepast: Herzo van der Wal