Bron: Capreolus, 2000, Auteur: Wil Huygen
De natuur doet niets zonder doel (Aristoteles)
Vertraagde implantatie
Wie regelmatig in de wondere wereld van de reeën bezig is, zal zo nu en dan met vragen blijven zitten.
Afgezien van gedrag, leeftijds- en geweibeoordeling, voedselproblemen, en nog veel meer, is de vertraagde implantatie van de zeer jeugdige eicel in de baarmoederwand van de reegeit een van de boeiendste biochemische verschijnselen in de natuur.
Iedereen weet waar het bij bevruchting om gaat: het vrouwtje wordt gedekt (beslagen), de zaadcellen (spermatozoïden) van het mannetje wringelen zich daarna vanuit de schede (vagina) met behulp van hun kwispelende staarten via de tweehoornige baarmoeder (uterus) naar de eileiders, waarin, bij reegeiten aan iedere kant een eicel op bevruchting ligt te wachten. De eileiders eindigen in een open trechtertje. Na de eisprong of ovulatie (het loskomen van een eitje uit de eierstok) zijn die twee eicellen door capillaire zuiging in dat trechtertje terechtgekomen. (zie figuur)
Wriemelend bolletje
De miljoenen zaadcellen ontmoeten zoals gezegd bij hun opmars links en rechts een eicel in de eileiders**. Zij gaan daar met hun kopjes op staan met de staart omhoog. De een na de ander voegt zich daarbij, net zolang tot de eicel er uit ziet als een wriemelend bolletje. Iedere zaadcel probeert door de eicelwand heen te dringen en scheidt daarbij een stof af, die de wand doorlaatbaarder maakt. Tenslotte ziet één zaadcel kans door de eicelwand heen te boren en met de kern van de eicel te versmelten.
Maar bij die ene geluksvogel links en rechts blijft het. Door verharding van de eicelwand, misschien ook chemisch, gaat de deur onmiddellijk op slot voor alle andere zaadcellen.
De bevruchte eicellen zetten nu hun reis naar de baarmoeder voort en komen via de baarmoederhoorns in het onderste gedeelte van de baarmoeder terecht. Ze delen zich een paar maal tot het Morula-stadium, daarna tot het Blastula-stadium en tenslotte tot de Gastrula, die nu uit 64 tot 128 cellen bestaat***. Hieruit zullen, als alles goed gaat, twee kalveren ter wereld komen, en dat wordt dan altijd een twee-eiige tweeling.
Nu zou de innesteling van de vruchtjes in de baarmoederwand moeten plaatsvinden, met aansluitend de placenta (moederkoek)-vorming, maar dat gebeurt niet. De vruchten blijven 4 1/2 tot 5 maanden werkeloos in een melkachtige baarmoedervloeistof liggen, zo nu en dan binnen de baarmoeder een beetje heen en weer zwervend, potentieel vol leven, warm opgeborgen, maar niet in staat verder te groeien.
Waarom lukt die innesteling niet?
Omdat er een hormoon ontbreekt, het hormoon PROLACTINE. Deze stof wordt in de hypofyse gevormd. De hypofyse is bij warmbloedige dieren de voornaamste klier met inwendige afscheiding, liggende tussen de schedelbasis en de onderkant van de hersenmassa, het veiligste plekje dat de evolutie bij mens en dier heeft kunnen uitdenken.
Vooralsnog echter is de hypofyse niet van plan om prolactine te vormen, waarom weten we niet (zeker), misschien ten gevolge van de fotoperiodiciteit* of het verminderde ultraviolet-gehalte van het zonlicht. Pas eind december begint de hypofyse prolactine in de bloedbaan te brengen, vooropgesteld dat de bevruchting van de geit rond 1 augustus heeft plaatsgevonden.
Laten we nu even teruggaan tot voor de eisprong:
Links en rechts is er in de eierstok een eicel rijp geworden. Dat is mogelijk is gemaakt door het Follikel-Stimulerend Hormoon (het FSH), ook al afkomstig uit de hypofyse. Sommige onderzoekers zeggen dat die eisprong geschiedt door het orgasme van de geit, evenals dat het geval is bij het konijn. Dat kan wel wezen, maar dat zou dan alleen het uitlokkend element moeten zijn; de rijping van het eicel staat onder invloed van het FSH.
De ovulatie laat op de eierstok een klein defect achter. Daarin ontwikkelt zich een zogenaamd "geel lichaam" (corpus luteum), een soort blaasje. Dit gele lichaam wordt gevormd en in stand gehouden door het Luteotroop Hormoon (LH), ook al weer afkomstig uit de hypofyse!
Nu begint het corpus luteum op zijn beurt het hormoon PROGESTERON af te scheiden, en dat dient dan weer voor het in leven houden van de eitjes, die immers inmiddels als een los cellenhoopje in de baarmoeder liggen en nog maanden moeten wachten voor ze de baarmoederwand kunnen binnendringen. Het progesterongehalte in het bloed van de geit stijgt in augustus iets en daalt daarna, maar blijft hoog genoeg om de piepjonge vruchten te laten overleven tot het prolactine verschijnt.
4 1/2 Tot 5 maanden na het bevruchten van de beide eicellen zijn we dan eindelijk zover dat de prolactine-concentratie in de baarmoederwand hoog genoeg is om de innesteling van de vruchtjes mogelijk te maken. Samen met nóg een hormoon, het schildklierstimulerend hormoon, en het eerder genoemde progesteron, gaat de celvermeerdering in het jeugdige organisme in snel tempo van start. De progesteron-voorziening vanuit het corpus luteum wordt vervangen door een krachtige stroom progesteron uit de zich ontwikkelende placenta's van de embryo's zelf.
Pas wanneer deze hele subtiele hormonendans na het verschijnen van het aanjager-prolactine in volle gang is om mee te doen aan de echte groei van het embryo, is alles geregeld.
De vruchten zijn de uteruswand binnengedrongen en de placentavorming komt op gang voor het transport van zuurstof en voedsel naar de embryo's (en het produceren van progesteron). Naarmate de embryo's groter worden komen zij weer los in de baarmoeder te liggen, maar nu ieder voorzien van een navelstreng en omhuld door de vruchtvliezen, die zo ruim zijn dat de embryo's min of meer in het vruchtwater zweven, hetgeen een zekere bescherming tegen stoten van buitenaf biedt.
Ruim negen maanden na de bevruchting kunnen de kalveren dan ten langen leste worden geboren, waarbij zich bij mens en dier weer een nieuw raadsel voordoet, namelijk waardoor de bevalling in gang wordt gezet, maar daarover graag een andere keer.
Waar voor nodig?
Wel lezer, het is helaas een lang en moeilijk verhaal geworden, maar nu rest er nog een vraag: waar is die vertraagde implantatie eigenlijk voor nodig?
Aristoteles zegt dat de natuur niets zonder reden doet, maar dat is een te gemakkelijke formulering.
Naar de mening van J. Poutsma hangt de V.T. met het uitgebalanceerde energieprogramma van reewild samen. Van hem is de volgende redenering: "Ellenberg constateerde bij reeën die binnen een raster werden gehouden en die gebruik konden maken van voedselautomaten, het optreden van twee fysiologische hongerpunten per jaar: één in april en één in oktober. Tijdens deze perioden werd aanzienlijk meer voedsel opgenomen dan nodig zou zijn als onderhoudsvoer. De piek in april heeft te maken met het tekort dat in de voorgaande winter is ontstaan; de piek in oktober duidt de aanleg van vetdepots aan, die de komende winter moeten overbruggen.
Reeën hebben een hoge basale stofwisseling. Ze hebben in verhouding tot hun lichaamsgewicht een klein pensvolume en in verhouding tot hun lichaamsgewicht een grote huidoppervlakte. Dat wil dus allemaal zeggen dat ze per tijdseenheid veel energie uit het voedsel moeten halen, met lichtverteerbare voedselplanten die een hoog nutritiëntengehalte hebben, én een snelle voedselpassage (turn-over) geven. Omdat die planten niet massaal voorkomen zijn reeën geen kuddedieren.
Het claimen van een territorium is te beschouwen als de aanleg van een reservoir.
De noodzakelijke aanpassingen van reeën aan de wintersituatie zijn:
- het spijsverteringskanaal reduceert zich in lengte;
- de stofwisseling wordt verlaagd;
- het zomerhaar groeit uit tot een isolerende winterdos;
- er wordt tot 40% minder voedsel opgenomen dan in de zomer;
- de activiteitsperioden worden in vergelijking met de zomer gehalveerd;
- de passage van voedsel wordt vertraagd;
- er vindt afbraak van de vetdepots plaats."
Aanpassing aan de wintersituatie
Poutsma's visie volgend kunnen we dan concluderen dat de vertraagde implantatie een aanpassing van de reegeit aan de wintersituatie is. Tijdens de herfst en de laatste maanden van het jaar vraagt de dracht nu veel minder energie van haar, omdat de embryo's nog steeds een vita minima leiden.
Is de winter voorbij dan worden de lichamelijke verliezen aangezuiverd, het spijsverteringskanaal neemt zijn normale lengte weer aan, en de voorjaars- en zomermaanden leveren dag voor dag meer geschikte voedselplanten.*
In de periode vanaf februari (als de vetdepots tenminste niet helemaal leeg zijn) kunnen dus de veel energie vereisende gebeurtenissen plaatsvinden, zoals geboorte, lactatie en bronst, én het aanleggen van een vetvoorraad in oktober waar ze tot ver in het volgend voorjaar mee moeten doen.
Stapje in de historie
Als we een stapje in de historie teruggaan, bijvoorbeeld naar de IJstijden, komen we ook weer voor raadsels te staan. De normale zesender-reewildgeweien die uit de bodem van het IJsselmeer zijn opgegraven, zijn een miljoen jaar oud. Dat overbrugt in terugwerkende richting de 4 IJstijden met gemak. In de interglaciale perioden is de aarde soms tienduizenden jaren lang een paradijs van warmte geweest. Het reewild heeft dus afwisselend de meest barre en meest ideale leefomstandigheden meegemaakt. Zou het kunnen zijn dat er daardoor iets in hun zwangerschapsritme is veranderd? Of hadden ze allang een vertraagde implantatie van hun vruchten en zijn
ze in de hevige koudeperiodes gewoon verhongerd, waarna uit schaarse reewildrestanten, of door immigratie vanuit het zuiden, in het bekende reewildtempo nieuwe populaties zijn ontstaan, waar we nu nog plezier van hebben?
Laatste vraag: wie heeft dit ogenschijnlijk uiterst kwetsbare hormonenspel, dat niettemin minstens een miljoen jaren lang zijn waarde heeft bewezen, indertijd uitgedacht en in gang gezet? Is dat alleen een eindeloos "trial and error"-mechanisme geweest?
Het antwoord op deze vraag zullen we maar overlaten aan een commissie bestaande uit Godgeleerden en historische materialisten.
Voetnoten
Eén tegenwerping zou schrijver dezes hier willen maken: het lijkt er toch op dat de maanden januari en februari weinig nutritienten leveren, -behalve misschien in gebieden met rijkelijke bramenopslag en Amerikaanse eikenlotknoppen, zoals in Zuid-Engeland- terwijl de embryo's nu wel degelijk opeisen wat ze nodig hebben; waar weer tegenover staat dat ze nog klein zijn en kwantitatief geen maximale behoeften hebben.
* Fotoperiodiciteit is het reageren met wisselende orgaanveranderingen onder invloed van wisselende (zon)lichtsterkten
** Misschien is hier reeds een soort "survival of te fittest" aan de gang. Bij de mens verliezen de zaadcellen in het zwakzure vagina-milieu een deel van hun beweeglijkheid, welk verlies zich voortzet tijdens de passage van de zaadcellen door de uterus naar de eileiders. Men zou geneigd zijn aan te nemen dat alleen de sterkste zaadcellen deze handicap overwinnen en er in slagen in beweeglijke toestand de eicel te bereiken om aan de bevruchting daarvan deel te nemen. Of dit bij de reegeit ook het geval is, is schrijver dezes onbekend.
*** Na de bevruchting gaat de eicel vanuit de eileider op weg naar de baarmoeder, waar zijn na enkele dagen aamkomt. De verplaatsing wordt tot stand gebracht door trilhaarbewegingen en samentrekkingen van de eileiderwand. Intussen deelt de eicel zich enkele malen, respectievelijk tot 2-4-8-16 cellen. Dit klompje cellen heet de morula. In de baarmoeder aangekomen volgen er nog een of twee delingen, dus 32 tot 64 cellen. De cellen verplaatsen zich naar de buitenkant van het celklompje, zodat een met vocht gevuld blaasje ontstaat. Dit is de blastula. Daarna wordt dit blaasje tijdens volgende delingen aan een kant ingeduwd, zodat een soort oprolling ontstaat. Dit is de gasrtula.
Met dank aan Dr J.Poutsma.