donderdag, september 09, 2010
 
Ontwikkeling Minimaliseren

Welke aantallen Reeën in het verleden voorkwamen is tot voor circa 100 jaar geleden niet meer te achterhalen. Wel is op basis van archeologische onderzoek iets te zeggen over de ontwikkelingen van de populatie en de invloed van de mens daarop.

In Engeland zijn reeën overblijfselen bekend van circa 100.000 jaar geleden. En er zijn veel restanten in de archeologische vindplaatsen tot in de Romeinse and Saksische tijden. Ze zijn beschermd door de Franse bezetters uit Normandië. Maar werden in in 1338 tot ‘beesten van de konijnenbult’ verklaard (niet waardig om door de edelen te worden bejaagd) en daardoor niet meer beschermd. Dit leide tot ongecontroleerde, intensieve bejaging. Daardoor ontstond in de middeleeuwen een opvallend verplaatsing van de vindplaatsen van de restanten en teruggang van de restanten. En in het laatst van de 16e eeuw waren de reeën inmiddels zeldzaam geworden in Engeland en uitgestorven in Wales. Op sommige plaatsen in Schotland waren nog populaties.

De totale populatie in Groot- Brittanië bleef klein (hoewel niet bekend is hoe klein) totdat een serie van  herintroducties en bescherming in de 19e eeuw door het hele land zorgden dat de soort zich vestigde. 

In Nederland geldt ongeveer dezelfde ontwikkeling. Hoewel de jacht in alle tijden een belangrijke activiteit was zijn pas over de laatste circa honderd jaar afschotcijfers in omloop. Het nauwkeurig vaststellen van de reeëndichtheid is buitengewoon moeilijk. Toch kunnen met enige voorzichtigheid conclusies worden getrokken over de aantallen reeën die er waren en de ontwikkeling die de populatie doormaakt. 

Onderzoekers gaan er vanuit dat de stand in de afgelopen honderd jaar zeker vertienvoudigd is. Dat is mede het gevolg van een beter geregeld afschot van reeën en het verdwijnen van grote predatoren.

In midden Europa is de dichtheid, afhankelijk van biotoop, variërend van enkele tot meer dan 20 stuks per 100 ha. Een grote reeëndichtheid is aanwezig in Rusland, Tsjechië, Slowakije, de voormalige DDR, Zwitserland, Polen, Hongarije, Bulgarije, Roemenië, Denemarken, Engeland, Zweden, Oostenrijk en Nederland. De hoogste dichtheid is vermoedelijk te vinden in West Duitsland. 

Het aantal Reeën in Nederland werd in 1978 (Mekers) geschat op 25.000 stuks. Sindsdien is het aantal toegenomen. Bovendien is men beter gaan inventariseren. Daarbij is vastgesteld dat het werkelijke aantal vaak (beduidend) hoger is dan het getelde aantal.

Thans wordt het aantal Reeën in Nederland geschat op minstens 58.000 stuks (Nieuwsbrief WBE-databank nr.7).


De laatste eeuw

Het ree is, door de eeuwen heen, een geliefde buit voor de mens. Na de Tweede Wereldoorlog is het aantal reeën in Nederland en België snel toe genomen. Het dier past zich snel aan in het cultuurlandschap en wordt beschermd door adequate wetgeving en beheer. 

Sinds de tweede wereldoorlog wordt het echter beschermd door regels die het beheer en de instandhouding van het Ree waarborgen. De circa 50.000 dieren komen nu verspreid over alle provincies van Nederland voor.

50 jaar geleden kwam het ree in Nederland vooral voor in de bosrijke streken op de hogere zandgronden in het oosten en midden van ons land. Sinds de bescherming door de jachtwet, in circa 1950, heeft deze soort zich sterk over het land verspreid. De reeën voelen zich inmiddels ook thuis in het noordelijk zeekleigebied van Groningen, in de veenweidegebieden in Friesland, in het natte elzenbroekbos in de kop van Overijssel en in de akkerbouwgebieden in Flevoland en Zeeland . Daarnaast is het ree in de duinen een bekende verschijning. Kortom, we treffen dit zoogdieren in de meest uiteenlopende biotopen in ons land aan.

In 1930 werd het aantal reeën geschat op 3 á 4.000. In 1960 bedroeg dat aantal 15.000 en in 1980 lag dat aantal tussen de 25.000 en 30.000 (bron: Broekhuizen e.a., 1992). In het voorjaar van 2002 werden door de  Wild Beheereenheden in totaal bijna 58.000 reeën geteld. Omdat niet alle aanwezige reeën tijdens een telling worden waargenomen, zal het werkelijk aantal groter zijn. De grootste dichtheden worden bereikt in Drenthe, Overijssel, Gelderland, Noord-Brabant en Limburg. Maar ook in de duinen in het westen van het land en op Ameland en Terschelling komen aanzienlijke aantallen voor.

Beheer van de populaties vindt plaats uit oogpunt van verkeersveiligheid, schade aan landbouwgewassen of schade aan de fauna zelf (voedselstress en dierenwelzijn). Eén en ander wordt onderbouwd in faunabeheerplannen. Na goedkeuring door de provincie wordt een ontheffing verleend aan de betreffende  wildbeheereenheid. Op basis van de gewenste aantallen of het schaden van belangen wordt het jaarlijkse afschot vastgesteld. De hier gepresenteerde afschotcijfers zijn ontleend aan verschillende bronnen. Tot 1994 zijn de gegevens afkomstig van het Ministerie van Landbouw en Visserij. De rijksoverheid verstrekte destijds de benodigde vergunningen. Sinds 1994 is dit gedecentraliseerd naar de provinciale overheden. Vanaf dat jaar zijn provinciale bronnen gebruikt. De afschotcijfers van de laatste drie jaar zijn ontleend aan de faunabeheerplannen en de WBE-databank.

Het totale afschot bedroeg de laatste drie jaar gemiddeld 12.370 stuks een het zal niet verbazen dat de grootste aantallen worden geschoten in die provincies waar de meeste reeën leven. De toename van de reeënpopulatie in ons land zien we ook terug in het afschot. In 1960 werden 4100 reeën geschoten 20 jaar later 6500 en in 2002 was dat aantal verdubbeld tot 12.370.

Met de groei van de bevolking in ons land is het wegennet gegroeid. Ook de automobiliteit is toegenomen. Gezien het grote verspreidingsgebied van het ree en het aantal reeën dat in Nederland voorkomt, is het niet verwonderlijk dat automobilisten regelmatig worden geconfronteerd met overstekende reeën. Dit blijkt ook uit het aantal door WBE’s geregistreerde stuks dood gevonden reeën, waarvan het overgrote deel slachtoffer is van het verkeer (valwild). In 2002 ging het om 5181 dieren. De meeste aanrijdingen vonden plaats in Gelderland en Overijssel met respectievelijk 1060 en 1002 stuks. Omdat niet alle aanrijdingen met reeën worden geregistreerd, moeten bovendien de genoemde getallen als een ondergrens worden gezien.

Van de periode januari 2000 tot en met maart 2002 is van ruim 5000 dode reeën bekend wanneer ze zijn doodgereden. Uit die gegevens blijkt dat er in het voorjaar duidelijk sprake is van een piek in het aantal aanrijdingen met reeën. Een verklaring hiervoor is dat in het voorjaar door territoriaal gedrag onrust in de populatie ontstaat, waardoor de dieren vaker dan anders wegen oversteken. De kans op aanrijdingen wordt daardoor vergroot.

In België is het Ree ook zeer algemeen, maar minder verspreid, met als belangrijkste leefgebied de Ardennen en Limburg. In wezen geldt in het algemeen voor dit hert dat het zich goed kan handhaven en qua aantallen nog steeds toeneemt.

Bron: WBE-databank, Koninklijke Nederlandse jagers vereniging, nieuwsbrief 6


Snel verder

Kenniscentrum Reeën Gebruiksovereenkomst Privacybeleid