Voor het bepalen van de leeftijd van reebokken heeft men een verband gelegd tussen de diameter van de rozenstokken, de hoogte van de tweede molaar en de leeftijd. De reebok met dezelfde eigenschappen is in 85% van de gevallen van dezelfde leeftijd als in het nomogram (zie afbeelding).
Het werken hiermee gaat als volgt:
- U meet de diameter van de rozenstokken en neemt hiervan het gemiddelde.

- U meet de hoogte van de 2e molaar, aan de buitenzijde van de kaak (alleen het bruine gedeelte meten) Per kies 2 metingen. Indien beide onderkaken aanwezig zijn kunt u beide meten. Van deze metingen neemt u het gemiddelde.
- Op de horizontale lijn van de grafiek zoekt u de gevonden diameter.
- Van dit punt gaat u loodrecht omhoog tot aan de (gebogen) lijn die overeenkomt met de door u gemeten gemiddelde tandhoogte.
- Vanuit dat snijpunt gaat u horizontaal naar links, naar de verticale lijn van de grafiek. Daar leest u de leeftijd van de bok af. (85% kans dat u de juiste leeftijd afleest.)
Voor de leeftijdsbepaling van reegeiten is er een soortgelijke tabel ontwikkeld. Daarbij gebruikt men alleen de hoogte van de kiezen. Men meet de hoogte van de P2 en de M2 en aan de hand daarvan kan men in de tabel de leeftijd vinden. Eigenlijk gelijk aan de visuele leeftijdsbepaling aan het gebit op basis van gebitsslijtage.
Uittreksel uit de gebruiksaanwijzing van het Nomogramm voor reebokken:
"Hat der Jäger nun einen Rehbock erlegt, kommt es bei den meisten Böcken zuerst dazu, das man ins Gebiß schaut um festzustellen, ob es sich dabei wirklich um eine alten Bock handelt und ob man mit seiner Alterseinschätzung richtig lag. Zur Bestimmung des Alters können wir nun bis zum Jährling (einjährig) das Wechseln der Milchzähne und das Wachstum der Dauerzähne heranziehen. Dabei sollte man aber auch bedenken, das die Zeitpunkte sogar innerhalb einer Population beträchtlich variieren könne.Ab dem Alter von einem Jahr gibt dem Jäger nun der Grad der Zahnabnutzung einen Anhaltspunkt über jünger oder älter. Verschiedene Tests mit Spezialisten haben an einer bestimmten Anzahl von Unterkiefern jedoch die Unbrauchbarkeit dieser Methode festgestellt. Eine andere Methode wäre die Relation der Verknöcherung der Nasenscheidewand zur Nasenbeinlänge mit der sich gut Aussagen treffen lassen über jung – mittelalt – alt. Allerdings lässt sich in der Praxis die Scheidewand schlecht messen weil sie durch abkochen bei der Präparation oft genug zerstört wird und somit ist diese Praktik ebenfalls nicht recht brauchbar. Eine sehr gute und in der Praxis aber bestens umsetzbare Methode, ist das Verhältnis zwischen Rosenstockdurchmesser und Zahnkronenhöhe, also des gefärbten Zahnteiles. Mit den aus Testergebnissen erstellten Nomogrammen kann man nun bis zu 85% der Böcke mit einer Genauigkeit von plus / minus ein Jahr auf ihr Alter bestimmt werden. Diese Methode orientiert sich an festen Messwerten, ist nachvollziehbar und macht im Grunde wissenschftl. Institute zur Altersbestimmung überflüssig.
Das Nomogramm wird wie folgt gelesen:
Von dem gemessenen Wert des Rosenstockes geht man senkrecht nach oben bis zum Schnittpunkt der Linie der Höhen des gemessenen zweiten Molaren M2, um dann waagerecht nach links bis zur Y-Achse zu gehen und das Alter in Jahren abzulesen."
In de praktijk wordt inmiddels bij het bepalen van de leeftijd van het gebit gebruik gemaakt van referentie kaken waarvan de leeftijd met behulp van slijpplaatjes is vastgesteld.

Afb. 1 Nomogram I voor leeftijdsbepalig op basis van tandhoogte van de M2 uit de onderkaak en de rozenstokdoorsnede

Afb. 2 Nomogram II voor leeftijdsbepalig op basis van de gemiddelde tandhoogte van de oudere kiezen uit de onderkaak en de rozenstokdoorsnede