zaterdag, februari 04, 2012
 
Het gebit

Het volledige gebit van het ree bestaat uit tweeendertig tanden en kiezen. Elke boven- en onderkaak bevat drie premolaren en drie molaren. In een onderkaakhelft bevindt zich bovendien drie snijtanden en een hoektand die in een aaneengesloten rij staan. (zie afbeelding) In de bovenkaak ontbreken de snijtanden en bevindt zich op die plaats een harde slijmvliesrand. Hierdoor kan het voedsel niet glad worden afgebeten, maar wordt het afgescheurd. Bij vraat aan takken en twijgen is daarom geen 'afgesneden' vraatbeeld te zien, zoals bij hazen en konijnen, maar een rafelige rand.

Het reekalf heeft al bij de geboorte snijtanden, hoektanden en premolaren. Dat zijn melktanden.

De melksnijtanden onderscheiden zich van de snijtanden doordat ze kleiner en smaller zijn. De derde premolaar van het melkgebit is goed van de blijvende premolaar te onderscheiden omdat deze in het melkgebit driedelig is, terwijl deze bij het blijvende gebit tweedelig is.

Enige weken na de geboorte begint de eerste molaar als blijvende kies te groeien. Van het blijvende gebit is dit dus de oudste kies en die is in de regel ook het meest afgesleten.

De melkpremolaren en –snijtanden kunnen in korte tijd sterk afslijten, in tegenstelling tot de blijvende. Reeds na circa vijf maanden (in oktober) begint het wisselen. Daarbij gaan eerst de binnenste snijtanden. (niet te zien in afbeelding) Als het ree bijna een jaar oud is (april/juni), wisselen de premolaren. En op een leeftijd tussen vijf- en veertien maanden groeien de molaren uit de kaak.


Haken bij reeën

In een klein aantal gevallen circa 3 % komen bij Reeën hoektanden voor in de boven- en/of onderkaak. Die hoektanden worden haken genoemd.

De haken vinden we als we de boven- en onderlip van het ree optillen. Het zijn kleine stiftvormige tandjes van 5 tot 20 mm lang met een doorsnede van ongeveer 2 mm. In sommige gevallen zitten de haken los in de lip. Dat is meestal het geval door het wisselen van melkhoektand naar de blijvende hoektand.

De haken zijn een overblijfsel van veel sterkere hoektanden zoals we die bij een andere hertachtige bijvoorbeeld de Muntjak nog goed kunnen zien. Dat het een door de ouders overgedragen verschijnsel is verklaard waarom in sommige gebieden een veel groter deel van de reeën haken kunnen hebben. Hoe groter het aantal reeën is dat haken heeft des te groter is de kans dat de reekalveren ook die aanleg voor haken hebben.

Er zijn waarnemers die verklaren dat haken bij reebokken meer voor komen dan bij reegeiten. De kans dat je haken in de onderkaak tegen komt is nog veel kleiner dan de eerder genoemde 3%.

Haken in onderkaak. Foto: J.Brinkman


Reeën kaken

Vereniging Het Reewild Gebruiksovereenkomst Privacybeleid