donderdag, september 09, 2010
 
Het gebit

Het volledige gebit van het ree bestaat uit tweeendertig tanden en kiezen. Elke boven- en onderkaak bevat drie premolaren en drie molaren. In een onderkaakhelft bevindt zich bovendien drie snijtanden en een hoektand die in een aaneengesloten rij staan. (zie afbeelding) In de bovenkaak ontbreken de snijtanden en bevindt zich op die plaats een harde slijmvliesrand. Hierdoor kan het voedsel niet glad worden afgebeten, maar wordt het afgescheurd. Bij vraat aan takken en twijgen is daarom geen 'afgesneden' vraatbeeld te zien, zoals bij hazen en konijnen, maar een rafelige rand.

Het reekalf heeft al bij de geboorte snijtanden, hoektanden en premolaren. Dat zijn melktanden.

De melksnijtanden onderscheiden zich van de snijtanden doordat ze kleiner en smaller zijn. De derde premolaar van het melkgebit is goed van de blijvende premolaar te onderscheiden omdat deze in het melkgebit driedelig is, terwijl deze bij het blijvende gebit tweedelig is.

Enige weken na de geboorte begint de eerste molaar als blijvende kies te groeien. Van het blijvende gebit is dit dus de oudste kies en die is in de regel ook het meest afgesleten.

De melkpremolaren en –snijtanden kunnen in korte tijd sterk afslijten, in tegenstelling tot de blijvende. Reeds na circa vijf maanden (in oktober) begint het wisselen. Daarbij gaan eerst de binnenste snijtanden. (niet te zien in afbeelding) Als het ree bijna een jaar oud is (april/juni), wisselen de premolaren. En op een leeftijd tussen vijf- en veertien maanden groeien de molaren uit de kaak.

Deze haken zijn rudimentaire bovenhoektanden. Bij andere hertachtigen zijn deze nog sterk ontwikkeld en worden deze nog gebruikt.

Er zijn waarnemers die verklaren dat haken bij reebokken meer voor komen dan bij reegeiten.

In een klein aantal gevallen komen bij Reeën in de hoektanden voor in de bovenkaak. Die worden haken genoemd. Lokaal kunnen naar verhouding meer reeën met haken voorkomen.


Snel verder

Kenniscentrum Reeën Gebruiksovereenkomst Privacybeleid