In de huid van het Ree bevinden zich geurklieren die stoffen afscheiden met een bepaalde geur. De geur dient vermoedelijk voor het vormen van een reukspoor, de herkenning van de dieren en het afbakenen van het territorium.
 |
Een belangrijk geurklier bij het Ree bevindt zich tussen de tenen van de achterpoten (achterlopers). Net boven de hoeven (schalen) bevindt zich een 5 mm grote opening van het tussenteenzakje. Daardoor kan de geurstof voortdurend naar buiten komen.
Maar met name tijdens het lopen wordt de stof door de druk van de tenen naar buiten geperst waardoor een spoor. Hierdoor wordt het spoor van een ree individueel gekenmerkt. Aan de buitenkant van de achterlopers, iets onder het sprong gewicht, bevindt zich nog een geurklier.
Het is te zien als een donkere, iets langer behaarde, ronde vlek.
|

Bij de reebok bevindt zich voor en tussen de rozenstokken nog een geurklier. Die speelt alleen een rol bij het markeren van het territorium. In het voorjaar en in de zomer wrijven, slaan en vegen de reebokken veelvuldig met hun gewei en dus deze geurklier langs voorwerpen in en om hun territorium. Daarbij worden takken en twijgen tussen de geweistangen genomen en door op- en neergaande bewegingen in contact gebracht met de geurstof. Dit gebeurt vaak zo heftig, dat de bast van de boompjes afgeveegd wordt. De sporen van dit markeren worden wel veegsporen genoemd. Hoewel dit gedrag niet het vegen van het gewei is om de huid van de geweitakken af te halen.
Een ervaren of getrainde hond met een goede neus is in staat het spoor van een individueel ree te volgen. Daarvan maken mensen gebruik bij het opsporen van reeën die bijvoorbeeld slachtoffer zijn gworden van het verkeer. De getrainde honden noemen we zweethonden.