Het gewei bestaat uit twee op de doorsnee ronde of ovale stangen die op benige uitgroeisels (de rozenstokken) op de schedel staan. Deze stangen worden jaarlijks afgeworpen. Naast de meestal herkenbare opbouw van het gewei zijn er diverse geweivormen zoals het pruikegewei. De geweigroei is een proces dat hoofdzakelijk door hormonen wordt beïnvloed.
Reegeiten dragen (meestal) geen gewei, bokken wel. Soms is er sprake van een klein geitengewei.
Het gewei bestaat uit onderstaande delen;

In de eerste winter na de geboorte vormen zich op de schedel van de reebok de basis voor het gewei (de rozenstokken) met daarop een minuscuul geweitje, de knoppen. De rozenstokken groeien door gedurende het hele leven van de bok, met dien verstande dat ze ieder jaar dikker worden. De hoogte van de rozenstokken neemt jaarlijks af.
Ieder jaar vormt zich een nieuw gewei. In de late herfst valt het gewei van de meeste bokken af. Direct daarna begint de opbouw van het nieuwe gewei.
Na het afwerpen van het eerste geweitje groeit boven de rozenstokken vlak boven de rozenstokken, aan de basis van de geweistang, de rozen. De rozen vormen een horizontale krans. Men spreekt van dakrozen als de rozen zijwaarts schuin afhangen.
In normale gevallen wordt aan de voorzijde van de stangen een aftakking gevormd (oog taak) en tussen deze en het bovenste eind van de stangen een aftakking naar achteren (achter taak). Drie enden aan beide stangen noemen we een zesender. Twee enden aan de stangen noemen we gaffel en een gewei zonder enden spitser. In uitzonderlijke gevallen komen achtenders of tienenders voor.
Bij een ongelijk aantal enden aan beide stangen gebruiken we de stang met de meeste enden voor de aanduiding. Het is dan een ongelijke gaffel, zesender, enzovoorts. Bij een gewei met een ongelijk aantal enden zijn alle variaties mogelijk.
Vanaf oktober-november tot eind mei begin juni groeien de geweien vanuit de huid op de rozenstokken. Dit nieuwe gewei is omhuld door een huid, ook wel "bast" genaamd. Tijdens de groei verhoornt de huid tot een keihard materiaal het gewei. Aan het eind van de groeiperiode stopt het verhoorning proces en komt de huis los van het gewei en sterft af. Dit gaat gepaard met jeuk en uitdrogen van die huid. De huid wordt dan door de bok van het gewei geveegd.
Het eerste geweitje van het bokkalf, de knoppen, worden in tegenstelling tot het gewei van de oudere bokken pas in januari-februari afgeworpen. In deze tijd komen altijd zeer jonge knopbokken voor. Oudere knopbokken worden aangemerkt als een teken van overbelasting van de populatie of verslechtering van het biotoop. Knopbokken in januari-februari zijn dat in ieder geval niet.
De jaarlijkse aangroei in diameter en het afnemen van de lengte van de rozenstokken is aantoonbaar en theoretisch dus te gebruiken bij het schatten van de leeftijd. De opbouw van het gewei is echter zo sterk afhankelijk van andere factoren dat het in de praktijk bijna onmogelijk is deze methode te gebruiken. De methode is vastgesteld op basis van een stabiele reeënpopulatie waarvan de dieren op voederplaatsen kwamen en in die omgeving hun geweistangen afwierpen. ( "über rehe", A.u.J.v. Bayern)