DE PRUIKENBOK
Bron: Capreolus, 2000 autheur; Dr J.L. van Haaften
Het opzetten en het afwerpen van het gewei wordt geregeld door het mannelijk geslachtshormoon: testosteron. Wanneer de productie van dit hormoon gestoord wordt door bijvoorbeeld ziekte, beschadiging van de testikels of door castratie dan ontstaan er afwijkingen in de vorming van het gewei. Dit kan zich uiten in voortijdig afwerpen, maar ook in de vorming van bijv. een pruikengewei. Wanneer de testosteronproduktie gestoord wordt als de bok bezig is een nieuw geweitje op te zetten valt met het hormoon ook de remfactor weg die de geweiopzet binnen bepaalde grenzen houdt. Dat is op het moment dat de bok nog een bastgeweitje heeft daardoor komt het tot de vorming van een woekering, een zogenaamde pruik, die altijd in de bast blijft. En doordat de remfactor is weggevallen ook nooit wordt afgeworpen.

De vorm en grootte van de pruik hangt af van verschillende factoren. Zoals het stadium waarin het bastgeweitje verkeerd en de vorm van het gewei dat de bok onder normale omstandigheden zou hebben geschoven. Zo zie je bij bokken met een bijna volgroeid bastgewei op het moment van het wegvallen van het hormoon een woekering rond het reeds gevormde geweitje, waarbij dan vaak de einden nog buiten de woekering uitsteken. De snelheid waarin de pruik groeit is heel verschillend. Bij oudere bokken groeit de pruik langzamer dan bij jongeren. De sterkste groei vindt meestal plaats tussen februari en april. Blijft de pruik steeds doorgroeien dan kan dit in een jaar of drie leiden tot de dood van de bok. Wij zien dan meestal etterige ontstekingen, waar nogal eens maden in te vinden zijn, of afgestorven delen van het pruikenweefsel en de voorhoofdshuid.