De verhouding tussen mannelijke en vrouwelijke reeën is, bij de geboorte, gemiddeld één staat tot één. Naar mate de dieren ouder worden blijven er meer vrouwelijke dan mannelijke reeën over. Dat komt omdat de sterfte onder reebokken groter is. De gemiddelde verhouding over alle leeftijden is vaak 1:1,2.
Met name de verhouding geslachtsrijpe reegeiten, tweejarige reeën (smalreeën) en kalveren is van grote invloed op de de aanwas, de jaarlijkse groei van de populatie.
Als in april de geslachtsverhouding één bok op vier volwassen reegeiten is bestaat er een grote kans dat er in juni acht kalveren zijn geboren. Is de verhouding één bok op één volwassen geit, één bokkalf, één geitkalf en één smalree dan zijn het waarschijnlijk drie kalveren. Als de verdeling één bok, één volwassen geit, één bokkalf, één geitkalf en één jaarlingbok is dan zijn er twee kalveren geboren.
De geslacht- en leeftijdsverhouding in april zijn daarom van wezenlijk belang voor de aanwas.