donderdag, september 09, 2010
 
Aanwas

Als er meer reeën sterven dan geboren worden loopt de soort gevaar. Het aantal reekalveren dat geboren wordt noemen we de aanwas.

De aanwas is natuurlijk niet altijd en overal gelijk. Verschillen treden met name op door de verhouding tussen reebokken en reegeiten. En bij reegeiten door de verhouding tussen de één-, tweejarige en de oudere reegeiten. Daarnaast wordt de aanwas beïnvloed door omstandigheden tijdens de draagtijd zoals de reeëndichtheid en de voedselsituatie. Deze kunnen namelijk zorgen voor sterfte onder de embryo's.

Het is gebruikelijk de aanwas uit te drukken in in percentage van het aantal op 1 april aanwezige vrouwelijke reeën. Daarbij kan de aanwas gegeven worden ten opzichte van de geslachtsrijpe reegeiten of voor alle vrouwelijke reeën. Onder geslachtrijpe reegeiten vallen ook de moeilijk te herkennen, voor het eerst bevruchte geiten, de smalreeën. Bovendien komt het voor dat reekalveren vroeg geslachtsrijp zijn en dus invloed hebben op de aanwas. In de praktijk gaat de voorkeur uit naar het uitdrukken van aanwas in percentage ten opzichte van alle vrouwelijke reeën.

Uit onderzoek blijkt dat de jaarlijkse aanwas bij dragende reegeiten varieerd tussen 70 en 150%. Tien dragende reegeiten kunnen, per jaar, tussen de 7 en 15 kalveren krijgen.

In de praktijk wordt bij het schatten vaak het percentage voor alle vrouwelijke reeën gebruikt. Doordat de geitkalveren geen kalveren krijgen wordt het gemiddeld aantal kalveren per ree dan lager.Namelijk 7 tot 15 kalveren per twintig vrouwelijke reeën. Naarmate er meer oudere geiten zijn dan reegeitkalveren en bijna tweejarige reegeiten neemt de kans dat de aanwas maximaal of zelfs hoger is snel toe. Zie onderstaande gevolg van geslacht- en leeftijdsverhouding.

volwassen

één- tot tweejarig

kalf

aanwas

geit:bok

smalree/jaarling

 

 

4:1

0:0

0:0

8

1:1

1:0

1:1

3 of 4

1:1

0:1

1:1

2

0:1

1:1

1:1

1 of 2

In theorie is de aanwas dus eerder meer dan 75% van het totaal aantal vrouwelijke reeën. Op basis van het voorbeeld kan dit echter van jaar tot jaar sterk verschillen met uitschieters tot 100% en omdat er vaak gebruik wordt gemaakt van reeëntellingen meer dan 100% van de getelde voorjaarsstand aan reegeiten. In de praktijk hanteert men daarom 100% aanwas van het totaal aantal getelde vrouwelijke reeën.

Grof gezegd zorgt de aanwas, in een evenwichtige populatie, er elk jaar voor dat de reeëndichtheid in juni tussen de 105% en 135% is van de in het voorjaar aanwezige reeën.

Door sterfte en migratie wordt die reeëndichtheid beïnvloed.

  

Snel verder

Kenniscentrum Reeën Gebruiksovereenkomst Privacybeleid