Er zijn praktijkproeven in afgesloten gebieden met vrij levende hoefdieren die aantonen dat daar gedurende heel veel jaren veel hogere dichtheden kunnen leven dan in de natuur ontstaan. In die gebieden zijn het de reeën die als eerste sterven. Vermoedelijk ten gevolge van stress.
De meest oorzaken van sterfte in Nederland zijn echter verkeer, verdrinken, maaien, stroperij, afschot, ziektes en ouderdom.
In een meer natuurlijke omgeving zijn het de ecologische omstandigheden die bepalen of er sterfte onder reeën voorkomt. Het is bekend dat de balans tussen energieopname, energieverbruik, energiereserves en extra activiteiten de gezondheid en conditie van het ree bepalen. Die balans tussen energie opnemen en verbruiken verschilt afhankelijk van de activiteit. Om de periodes met veel activiteit, kou of weing voedsel te doorstaan heeft het ree ook periodes van enkele maanden waarin de activiteiten; reserves opbouwen en rusten belangrijk zijn.
Als één van belangrijkste oorzaken van sterfte in de winter en het vroege voorjaar wordt de voedselsituatie in de winter en het vroege voorjaar genoemd. Die voedsel situatie bestaat uit twee delen de feitelijke beschikbaarheid van voedsel en de reserves die de reeën in de vorm van vet opgebouwd hebben. Het is de periode september - november die bepaalt of er voldoende vetreserves worden opgebouwd en een goede conditie en gezondheidstoestand in het vroege voorjaar gewaarborgd is. Dus de reserves opgebouwd in de nazomer en herfst bepalen of een individueel ree voldoende weerstand heeft tegen extreme omstandigheden in de nawinter en het vroege voorjaar.
De gezondheidstoestand en conditie van reegeiten en kalveren gedurende het vroege voorjaar bepalen vervolgens de aanwas en gezondheid van die aanwas. Zij bepalen met de geboorte van sterke reekalveren hoeveel weerstand de populatie heeft tegen sterfte.
In de zomer sterven overwegend onervaren (jonge) reeën en naar mate het jaar vordert sterven de verzwakte reeën met een piek in februari/maart. Uit recent onderzoek komt naar voren dat er meer sterfte plaats vind onder de bokkalveren dan onder geitkalveren. De exacte verklaring daarvoor heeft men nog niet kunnen achterhalen. Mogelijk zijn bokkalveren minder behoedzaam. Waardoor zij eerder slachtoffer worden van bijvoorbeeld predatoren.
In Nederland komt de factor gegeten worden echter relatief weinig en zeer lokaal voor. De predatie van reeën is slechts beperkt tot reekalveren die vossen en wilde zwijnen vinden.
Het aantal reeën dat in Nederland sterft door bovenstaande factoren is minder dan de jaarlijkse aanwas. Zelfs inclusief de sterfte door het afschot van reeënbeheerders neemt de hoeveelheid reeën in Nederland nog steeds toe. De reeëndichtheid komt al dichtbij de in natuurlijke omstandigheden vastgestelde reeëndichtheid van 14 reeën per 100 ha goed leefgebied. Voor veel gebieden is de maximum reeëndichtheid waarschijnlijk al bereikt. De dieren lijken zich aan te passen aan de hoge dichtheid. De reeën worden namleijk vaker gezien en ontwikkelen zich tot veldreeën, ze verdragen de aanwezigheid van mensen beter en komen daardoor steeds vaker in contact met bijvoorbeeld het verkeer.
Het gaat dus, onder de huidige omstandigheden, goed met de reeën, totdat ... Eén van de factoren uit de levenscyclus van de reeën verstoort wordt.
Bijvoorbeeld de voedselsituatie in de wintermaanden. IJspret leidt tot veel verstoring van de leefgebieden van reeën. In een langdurige winter met vorst zullen veel reeën, meer dan normaal in Nederland, hun vetreserves moeten aanspreken. Los van de directe slachtoffers in het verkeer kunnen veel reeën hierdoor een te kort aan energie krijgen. Met als gevolg verminderde weerstand. Met name in het vroege voorjaar geeft dat meerl sterfte.