zondag, mei 20, 2012
 
Wintersterfte

De sterfte in de winter onder hoefdieren in de gematigde en poolstreken is een natuurlijk fenomeen en komt ook onder reeën voor. Uit onderzoek door R.Putman en P.Green onder Edelherten zijn een aantal oorzaken en gevolgen vastgesteld die mogelijk ook voor reeën gelden. Zij bevestigden in de eerste plaats dat wintersterfte veel voorkomt. Het ene jaar meer dan het andere, maar je ziet het ieder jaar weer.

Sommigen zien een gebrek aan voedsel als oorzaak, maar dit is vaak niet zo. Zou dit het geval zijn, dan zouden weldoorvoede en gezonde dieren blijven leven, maar deze sterven ook. Er zijn twee pieken in het sterven in de winter te onderscheiden:

1 Een piek na het invallen van grote koude. De dieren krijgen dan, vooral bij gebrek aan dekking, snel een te lage lichaamsteperatuur (hypothermie). Dit komt ook bij doorvoede dieren voor, de snelle temperatuurwisseling laat onvoldoende tijd om het opgeslagen lichaamsvet om te zetten in energie. Deze sterfte treedt voornamelijk op tijdens periodes met veel kou. (Je kunt het vergelijken met wanneer iemand lange tijd in koud water verblijft. Als gevolg van de voortdurende koeling volgt de dood, ook bij dikke mensen). Tegen deze sterfte zou het creëren van voldoende dekking al een heel stuk helpen. De struiken en boscages helpend dieren hun warmte te reguleren. In gebieden met veel sneeuw gaat de bescherming van bijvoorbeeld heide en andere struiken vaak verloren door dat deze ondersneeuwen. In Nederland komt zowel de extreme temperatuurwisseling als het ondergesneeuw raken van de dekking zelden voor. De reeën die al dan niet gedwongen worden om permanent in het open veld te leven (veldreeën) zijn hiervoor het meest gevoelig.

2 Een piek na de winter, maart en april. Alle vetresreves zijn dan bij de dieren die de winter overleefd hebben, inmiddels wel verbruikt en het aanbod van vers voedsel is nog minimaal en van slechte kwaliteit. Omdat het vet verdwenen is wordt het eiwit in de spieren aangesproken. De dieren zijn ondanks hun wintervacht, zichtbaar vermagerd en sterven uiteindelijk. De dieren schakelen in die periode van lage energiebehoefte naar hoge energie behoefte en bij gebrek aan goed voedsel teren zij versneld in op hun reserves. Vooral veel wind en regen kosten energie. Een wind van 10 km/uur kost vanwege het voorkomen van warmteverlies 2,5x meer energie voor de dieren als bij geen wind. Ook hier is een dekkingsmogelijkheid weer erg belangrijk.

Conclusies:
Er gaan meer dieren dood door verbruik van vetreserve voordat ander voedsel beschikbaar komt. In een normale biotoop komt wintersterfte voor, dat is geen gevolg van slecht beleid. Kun je hier deze sterfte uitdrukken in een percentage van de stand? De relatieve sterfte blijft ook voor een normale stand (ook hier wat is een normale stand 20 edelherten per 100 hectare?) min of meer gelijk. Voortijdig afschot is bij volwassen dieren geen oplossing. Belangrijk is wel dat de dieren een vetreserve kunnen opbouwen (is dichtheidsafhankelijk) en ook een goede dekking kan de sterfte deels voorkomen. Bijvoeren heeft enkel zin als je er tijdig mee begint. Zijn de dieren al verzwakt, dan kost het meer energie om het aangeboden voedsel in vet om te zetten dan dat het energie oplevert. Bijvoeding geeft éénzijdig voedsel (licht eraan wat je ze geeft) en door de hiërarchie komt het terecht bij dieren die daar het minst om verlegen zitten. Abrupt overschakelen van voedselpatroon is schadelijk en kost veel aanpassingsvermogen voor maag en darm. Door het aanbieden van alternatief voedsel gaan dieren minder snel op zoek naar ‘eigen’ natuurlijk aanbod. Na veel wintersterfte kan men in april/ mei besluiten om vooral de in slechte conditie verkerende hindes alsnog te schieten, daar de kalveren van deze hindes na het zetten ook met een achterstand beginnen.


Vereniging Het Reewild Gebruiksovereenkomst Privacybeleid