Het ree kan geur- en veegsporen, kabplekken, ligplekken, vraatbeeld, haren achterlaten maar die sporen kunnen pas werkelijk aan het ree worden toegekend als deze samen aanwezig zijn en er ook hoefafdrukken aanwezig zijn.
Reeën kunnen zich op drie verschillende manieren voortbewegen namelijk:
- Het rustig stappen; hierbij worden de achterpoten praktisch in de afdruk van de voorpoten worden gezet.
- Het draven; waarbij de poten diagonaal gelijktijdig worden verzet.
- Het vluchten; door grote sprongen, waarbij de achterpoten tot ver voor de voorpoten worden geplaatst. Het Ree kan grote sprongen maken. Sprongen van vier meter en meer zijn geen uitzonderingen.
Het spoor van een Ree wordt gevormd door de afdrukken van de hoefschalen in de grond en het patroon van die afdrukken. Aan de grootte van de afdrukken kan men zien of er een volwassen Ree of een kalf heeft gelopen. Aan de diepte van de sporen kan men zien of het een zwaar of licht ree is en of het versneld of afremd.

Heeft het rustig gestapt, dan zien we de afdrukken van voor- en achterlopers vlak bij elkaar of in elkaar. Is het Ree vluchtig geweest, dan zien we dat de afdrukken van de hoefschalen gespreid zijn. In een zachte bodem zien we dan ook de afdrukken van de beide achterklauwtjes.
Er bestaan geringe verschillen tussen het spoor van een bok en dat van een geit. In de praktijk zijn deze echter voor ons nauwelijks van betekenis.