Het ree bewoont bos of beschut terrein met voldoende dekking in de vorm van struikgewas. Het dier is weinig kieskeurig wat het terrein betreft en komt zowel in droog als zeer vochtig terrein voor, in de bergen zelfs tot de boomgrens.
Oorspronkelijk is het Ree een wildsoort van gemengde loofhoutbossen met eik en beuk als belangrijkste voedsel bronnen. De voorkeur gaat uit naar opstanden met relatief veel licht en overgangen naar open terrein. Daarin staat veel ondergroei en bereikbaar voedsel. In de afgelopen eeuwen heeft een grootschalige omzetting plaatsgevonden van loofhout naar naaldhout. Het Ree heeft zich uitstekend aangepast. De jonge naaldhoutbossen bieden dekking, terwijl bij gebrek aan eiken- en beukenmast de naaldhoutknoppen en veldvruchten van de akkers graag worden gegeten.
Bij hoge aantallen reeën (dichtheid) worden ook de minder gunstige gebieden in aangesloten bosgebieden bezet. Daar is het voedsel beperkt tot de bosplanten.

Tegen de schemering verlaten de dieren de dekking om te gaan eten. Het voedsel bestaat voornamelijk uit kruiden en twijgen, maar 's winters ook uit boombast, eikels, enz.
Een uitzondering op dit gedrag zijn de veldreeën.
Bij stijgende dichtheid of veel verstoring in het biotoop zien we reewild ook op plaatsen waar geheel geen bos aanwezig is. Deze reeënpopulatie past zich soms aan dat nieuwe biotoop aan. Zij gebruiken dan bij voorkeur ruige randen, houtsingels en kleine bosjes als dekking.
Als de reeën zich permanent in het open veld ophouden en zich geheel aan dat open terrein hebben aangepast noemen we deze reeën veldreeën. Met name in grootschalige akkerbouwgebieden worden veldreeën waargenomen. In het voorjaar vallen ook bij veldreeën de sprongen uiteen, alleen wat later dan bij de bosreeën. Ook bezetten de sterkste bokken en geiten de beste territoria. De territoria zijn groter dan normaal.
Bij onraad vluchten veldreeën niet het bos in, wat reeën gewoonlijk wel doen, maar nemen afstand van het gevaar, het open veld in. Waar ze in de landbouwgewassen, slootkanten overhoekjes dekking en voedsel vinden.
Veldreeën gedragen zich meer dan bosreeën als kuddedieren, in die zin dat ze tijdens het foerageren wachtposten uitzetten. Steeds is er minstens één Ree die de omgeving in de gaten houdt, terwijl de rest eet, herkauwd of rust.

De in de herfst gevormde sprongen zijn bij veldreeën veel groter dan bij reeën in dekkingsrijk gebied. Sprongen van enkele tientallen stuks zijn geen zeldzaamheid. Als na de oogst een groot deel van de dekking is verdwenen, zorgen de Reeën door over grote afstanden te vluchten voor hun veiligheid. Zodra een Ree onraad bemerkt, spreidt het de spiegel en dat levert een optisch signaal dat in het open veld zeer goed zichtbaar is. De overige Reeën worden hierdoor attent en zekeren. Zodra er één Ree vlucht, gaat de rest mee.
Het voedsel bestaat volledig uit kruidachtige planten en landbouwgewassen. In het algemeen hebben reeën dagelijks een paar momenten waarin ze eten. Veldreeën fourageren de hele dag, men kan ze op ieder moment van de dag etend aantreffen.